Waarnemingen 2022


5 december 2022. Sinterklaassurprise: een champignonparasol bij de voordeur
Eef Arnolds

Op 5 december was ik bezig met het verwijderen van gevallen blad op een betegeld terrasje voor het huis. Tijdens het bijeenharken van de bladeren viel mijn oog op de los liggende hoed van een paddenstoel die kennelijk onder het strooisel verstopt zat. De hoed was ruim drie centimeter breed, wat lichter van kleur dan de verdorde eikenbladeren, en voorzien van fijne, wat donkerder, vezelige schubjes. Een opmerkelijk geval. Na enig speurwerk vond ik tegen de huismuur ook de steel van de paddenstoel, naar onderen knotsvormig verdikt en bovenaan met een elegant ringetje. Toen ik weer naar de afgerukte hoed keek, was die al bijna helemaal oranjerood verkleurd. Een paar uur later was de rode tint overgegaan in zeer donker violetbruin, bijna zwart. Een spectaculaire metamorfose tot een heel lelijk paddenstoeltje!

Bloedende champ. parasol-1
Bloedende champignonparasol (Leucoagaricus badhamii) in tuin in Holthe
(foto’s Eef Arnolds).


Het was me door dit uiterlijk vertoon duidelijk geworden dat het ging om een vertegenwoordiger van het geslacht Champignonparasol (Leucoagaricus). De microscopische kenmerken – kleine amandelvormige sporen en een hoedhuid van zeer lange, opstaande elementen – leidden al gauw naar de Bloedende champignonparasol (Leucoagaricus badhamii), een zeldzame, kalk minnende paddenstoel die als bedreigd op de Rode Lijst staat. In Nederland wordt hij vooral gevonden in Zuid-Limburg, Flevoland en de duinstreek. Zelf had ik deze soort slechts één keer eerder gezien, in 2001 in het Bunderbos ten noorden van Maastricht.
In de Verspreidingsatlas van paddenstoelen staat voor Drenthe één oude melding van de Bloedende champignonparasol uit een zuur eiken-berkenbosje bij Hoogveen, maar dat is in de Atlas van Drentse paddenstoelen gecorrigeerd. Die vondst bleek betrekking te hebben op een verwante soort met veel kleinere vruchtlichamen welke eveneens bij aanraken rood verkleuren: de Glinsterende champignonparasol (L. georginae). Deze paddenstoel komt in Drenthe hier en daar voor in bosjes op stikstofrijke, zure grond. Verder staat er in De Verspreidingsatlas voor de Bloedende champignonparasol een recente stip in het Bargerveen bij Weiteveen. Nadere details over deze waarneming kon ik niet vinden. Het is een zeer onwaarschijnlijke groeiplaats voor deze soort. Wellicht betreft ook deze vondst de Glinsterende champignonparasol. Maar ook een voeg tussen tegels tegen de buitenmuur van mijn woning mag een bijzondere standplaats voor de Bloedende champignonparasol genoemd worden, dus wie weet klopt het toch wel.

Bloedende champ. parasol-2
Bloedende champignonparasol (Leucoagaricus badhamii) in tuin in Holthe
(foto’s Eef Arnolds).

24 november 2022. Het Harsig waterkelkje op dennenschors
Joop Verburg

Op 24 november 2022 bezocht ik het Steenberger Oosterveld, een heidegebied (ten dele natuurontwikkelingsgebied) van Het Drentse Landschap. Ik vond die dag nog een aantal aardige soorten terwijl het toch al verschillende keren wat gevroren had. Dat was aan de Witte heidetrechtertjes (Omphalina mutila) duidelijk te zien, maar de Duinmostrechtertjes (O. galericolor) stonden er nog fris bij. Een mosbekertje tussen Haarmos werd door Bernhard de Vries bepaald als Groot oranje mosschijfje (Octospora humosa) Een overvloed aan Heideknotszwammen (Clavaria argillacea|) was in dit zandige gebied te verwachten.
Het gebied wordt begraasd met runderen, zodat een soort als het Mestborstelbekertje (Cheilymenia stercorea) op de koemest ook te verwachten was. Het Blauwvoetkaalkopje (Psilocybe fimetaria) is eveneens kenmerkend voor mest in begraasde natuurterreinen (zie foto).

Blauwvoetkaalkopje (Psilocybe fimetaria) op rundermest (foto Joop Verburg).

De meest bijzondere vondst deed ik op de binnenkant van een stuk schors aan een dennenstronk van een meter hoog. Ik moest echt heel goed en met een loep kijken om de blauwwittige bekertjes met wat franje aan de rand te ontdekken en nog meer moeite doen om die te fotograferen. Ze waren hooguit een millimeter breed. Een stukje van de schors met de paddenstoeltjes is naar Bernhard de Vries gegaan en van hem kreeg ik uitsluitsel. Die bekertjes betreffen het Harsig waterkelkje (Hyaloscypha aureliella). De soort is van andere waterkelkjes te onderscheiden door de sporenmaten (6,5-10 x 2-3,2 µm) en de spitse randharen met kloddertjes van een geelbruine, harsachtige substantie. Het Harsig waterkelkje staat niet in de paddenstoelenatlas van Drenthe en op waarneming.nl staat geen enkel melding uit de drie noordelijke provincies. Volgens de NDFF Verspreidingsatlas van paddenstoelen is de soort echter tegenwoordig landelijk matig algemeen en ook al van enkele plekken in Drenthe bekend.
Bernhard vond nog een andere soort op het stukje schors; het Dennenschorsvlekje (Ascocorticium anomalum), op de foto zichtbaar als vage blauwige vlekken tussen de waterkelkjes.
Zo maar even op pad en toch weer leuke ontdekkingen. Met dank aan Bernhard.

Harsig waterkelkje (Hyaloscypha aureliella) op dennenschors in het Steenberger Oosterveld
(foto Joop Verburg).

Literatuur:
Huhtinen, S. 1989. A monograph of Hyaloscypha and allied genera. Karstenia 29: 45-252.


8 november 2022. Grauwe ringboleet in Boswachterij Ruinen
Jeroen Onrust

Gisteren was ik voor mijn onderzoek aan regenwormen bij een boer in Echten die tegen boswachterij Ruinen aan zit en einde van de middag ben ik nog even het bos in gelopen. Zo vond ik daar vorig jaar in een bosvak met Weymouthden tientallen vruchtlichamen van de Roodschubbige ringboleet (Suillus pictus volgens de Standaardlijst van 2013, tegenwoordig S. spraguei). Die stonden er nu niet, maar toen ik terugliep naar de auto kwam ik andere ringboleten tegen langs het schelpenpad dat grotendeels door lariksbos gaat. Langs het hele pad kwam ik meerdere vruchtlichamen tegen van de Grauwe ringboleet (Suillus viscidus), ook een heel bijzondere soort.

Grauwe ringboleet (Suillus viscidus) onder lariks, Boswachterij Ruinen (foto Jeroen Onrust).

Ik vond één groepje een beetje afwijkend met een meer geschubde hoed en een duidelijker ring. De andere exemplaren waren allemaal veel bleker en slijmiger zonder schubjes en van een ring was niet veel meer te zien dan een zwarte smurrie. Nu denk ik dat het te maken heeft met de leeftijd en/of het weer en dat de schubbige exemplaren wellicht wat minder door de regen zijn aangetast. Dit werd bevestigd door Eef Arnolds en Rob Chrispijn. Ik heb foto’s van de normale vorm en het groepje met een schubbige hoed toegevoegd.

Grauwe ringboleet (Suillus viscidus) met geschubde hoeden onder lariks, Boswachterij Ruinen (foto Jeroen Onrust).

7 november 2022. Een ster valt in goede aarde in een bloempot
Eef Arnolds & Leo Jalink

Op 7 november ontving ik een opmerkelijk mailtje van Roely de Boer en partner uit Gorredijk met bijgaande foto:
Weet U wat voor soort dit is? Hij groeit in potaarde van een huiskamerplant, een circa vier jaar oude goudpalm. Wij denken een aardsterachtige, maar welke? De vindplaats lijkt ons wel heel bijzonder. Kan het kwaad voor onze gezondheid, wanneer hij zijn sporen in de huiskamer “spuugt”? We zouden het fijn vinden dat u ons met onze vragen wilt helpen.

Geastrum welwitschii in bloempot in een huiskamer in Gorredijk (foto Roely de Boer).

De paddenstoel op de foto is inderdaad typisch een aardster, zij het met een wat misvormde mondopening, maar ik kon hem niet als een van de inlandse soorten herkennen. Wel kon ik vertellen dat de sporen binnenshuis geen kwaad kunnen, tenzij iemand een heftige schimmelallergie heeft. Daarom stuurde ik het bericht door naar aardsterrenspecialist Leo Jalink. Hij gaf de volgende reactie:
Zeer waarschijnlijk gaat het hier om een van oorsprong Amerikaanse aardster, Geastrum welwitschii. Die soort is de laatste jaren vaker in bloempotten in West-Europa aangetroffen en hij kan dan vele jaren stand houden. Op zich een mooie verrijking en, zoals Eef al schrijft, ongevaarlijk voor de mens. Bijgaand een artikel over de ontdekking van de soort in België, enkele jaren geleden. Hij staat ook in enkele bloempotten in de botanische tuin in Leiden.

Ook in Drenthe kunnen we deze spectaculaire paddenstoel vroeger of later in de huiskamer verwachten!

Literatuur:
Jalink, L., Hendrickx, R. & Ryckeboer, N. 2021. Geastrum welwitschii, een Amerikaanse aardster, nieuw voor België. Coolia 62(2): 81-85.


2 november 2022. Zijn veel Sombere honingzwammen een reden voor somberheid?
Eef Arnolds

Op 2 november kreeg ik via de mail een vraag van Marije Verbeeck uit Brummen over de grote aantallen honingzwammen op de Veluwe. Zij was niet de enige die dat was opgevallen. Ik had eerder al soortgelijke vragen gekregen, ook met betrekking tot opvallend veel zwavelzwammen. Vanwege de algemene belangstelling voor dit onderwerp geef ik de vraag en mijn reactie daarop hieronder weer.
De mail van Marije Verbeeck|:
In mijn speurtocht naar antwoord op de vraag waarom zijn er zo ontzettend veel sombere honingzwammen ineens, werd ik naar u doorverwezen door de Natuur en Milieufederatie in Drenthe. Ik woon in Brummen, Gelderland en in de bossen lijkt het ineens te wemelen van deze soort. Ik kan het niet aantonen, heb geen vergelijkingsmateriaal, laat staan harde cijfers en ben ook maar een eenvoudige nitwit. Maar ik ben wel bang dat het een aanwijzing is dat het bos (veel oude beuken en eiken) ernstig verzwakt is en dat de alarmbellen moeten gaan rinkelen. Of dat we ons moeten voorbereiden op leven zonder al die oude eerbiedwaardige vrienden.
Kunt u hier iets over zeggen, zijn de honingzwammen in Drenthe net zo tevreden als hier?

Sombere honingzwam (Armillaria ostoyae) rond afgestorven Fijnspar in Boswachterij Veenhuizen (foto Eef Arnolds).

Mijn reactie daarop:
‘Inderdaad vallen de vele en grote toefen  (sombere) honingzwammen deze herfst overal op, ook in Drenthe. Al zijn ze nu weer duidelijk op hun retour. Je bent niet de eerste die een vraag stelt over dit verschijnsel. Het antwoord is ook voor mij niet eenvoudig te geven. Er zitten minstens drie kanten aan de zaak.
Op de eerste plaats zijn sterke jaarlijkse fluctuaties van aantallen vruchtlichamen bij paddenstoelen een normaal verschijnsel. Iedere soort reageert op haar eigen manier op de heersende milieuomstandigheden, vooral de hoeveelheid neerslag. Niet alleen honingzwammen zijn dit jaar veel talrijker dan in de paar voorafgaande jaren, maar ook ‘nuttige’ mycorrhizapaddenstoelen als de Vliegenzwam en Eekhoorntjesbrood. Daarentegen zijn er weer opvallend weinig Hanenkammen (cantharellen) en Gele aardappelbovisten, eveneens mycorrhizavormers. Naar de exacte oorzaak van deze verschillen is het gissen. Ik herinner me eerdere jaren waarin er ook ontzettend veel honingzwammen waren. Dus of er werkelijk sprake is van toename is moeilijk aan te tonen.
Een tweede punt lijkt wel in de richting van een toename van verzwakte bomen te wijzen, namelijk dat er dit jaar ook opvallend veel vruchtlichamen van andere boomparasieten worden gezien, zoals de Zwavelzwam op oude eiken, Porseleinzwam op beuken en de Dennenvoetzwam op naaldbomen. Deze soorten tasten, evenals de Sombere honingzwam vooral verzwakte, gewonde en oude bomen aan. Door drie zeer droge zomers in korte tijd is de vitaliteit van bomen op veel grondsoorten ontegenzeggelijk verminderd en daardoor zijn ze vatbaarder geworden voor parasitaire paddenstoelen en andere parasieten. Aantasting door een honingzwam of andere parasiet hoeft echter niet de dood van de boom te betekenen. Het is voor de boom een (min of meer ernstige) ziekte die ook weer overwonnen kan worden als de omstandigheden gunstiger worden.
Een derde punt is dat de meeste toefen honingzwammen, evenals de Zwavelzwam en Dennenvoetzwam, naar mijn ervaring niet op of rond levende bomen groeien, maar op en rond stronken van afgezaagde bomen. Als ik naar de zaagvlakken kijk, zijn vrijwel al deze bomen kerngezond geveld voor de houtoogst. Dan leveren ze uiteraard ook het meeste op. Die bomen waren levend dus vrijwel zeker niet aangetast door de zwammen. Boomparasieten kunnen vele jaren in dood hout in leven blijven en vruchtlichamen voortbrengen. Waarschijnlijk worden de stronken in een bos als extra voedsel gekoloniseerd door mycelia die al in de bosbodem aanwezig zijn, bijvoorbeeld vanuit een levende geïnfecteerde boom.  In honingzwammen zijn de mycelia vaak zichtbaar in de vorm van zwarte strengen (‘schoenveters’), die tientallen meters door de bodem kunnen kruipen op zoek naar lekkers. De enorm toegenomen kap in onze bossen heeft m.i. zeker bijgedragen aan een forse uitbreiding van de genoemde soorten en dat kan op zijn beurt een sterk toenemende infectiekans voor de overblijvende bomen betekenen.’

Sombere honingzwam (Armillaria ostoyae) op stronk van gevelde Sitkaspar in Boswachterij Gees (foto Eef Arnolds).

25 oktober 2022. Een nieuwe gordijnzwam voor Nederland: Cortinarius bataillei
Eef Arnolds & Jeroen Onrust

Tijdens de PWD-excursie van 24 oktober naar het Modderveen bij Lheebroek vonden we in het vochtige, schrale dennenbos aldaar allerlei gordijnzwammen, waaronder de bekende Geelplaatgordijnzwam (Cortinarius croceus). Een groepje viel uit de toon door de wat kleinere vruchtlichamen met een meer bruin getinte hoed en een opvallend slanke steel. Bij uitgraven bleek de steelvoet fel oranje van kleur te zijn. Dat is een uniek kenmerk van een verwante soort, Cortinarius bataillei, die Rob Chrispijn en ik goed kennen van zompige dennenbossen in Scandinavië, Belarus en Zuid-Duitsland. Uit Nederland is hij niet eerder opgegeven. ‘Vuurvoetgordijnzwam’ zou een passende Nederlandse naam zijn.

Cortinarius bataillei in het Modderveen in 2021 (foto Jeroen Onrust).

Het unieke dennenbosje van het Modderveen, met tal van zeldzaamheden, is ontdekt door Jeroen Onrust. Bij inspectie van zijn foto’s bleek dat hij de soort daar ook al in oktober 2021 had gevonden, maar niet als zodanig had herkend. Een foto van deze eerste vondst is hierboven afgedrukt.

Daar bleef het niet bij. De volgende dag, 25 oktober, vond ik (EA) een fraaie groep van Cortinarius bataillei in een oude, mosrijke lariksopstand in Boswachterij Gees. Zo’n opmerkelijke synchroniteit treedt vaker op bij zeer zeldzame paddenstoelen en noviteiten. Funga Nordica, het standaardwerk over paddenstoelen voor Scandinavië, vermeldt dat Cortinarius bataillei niet zeldzaam is in vochtige dennenbossen, waar hij vaak tussen veenmossen groeit, niet alleen in Noorwegen en Zweden, maar ook in Denemarken. Het is dus niet zo vreemd dat de soort nu ook in ons land is opgedoken. Wegens zijn opvallende verschijning is het onwaarschijnlijk dat hij eerder over ’t hoofd is gezien. Vermoedelijk gaat het om recente vestigingen, zoals bij meer mycorrhizapartners van naaldbomen het geval is. Dat is te danken aan het ouder en natuurlijker worden van onze aangeplante naaldbossen, waardoor ze steeds meer op wilde naaldbossen uit Noord- en Midden-Europa gaan lijken.
Met het huidige intensieve kapbeheer en het streven in het bosbeheer naar gemengde opstanden met geen of weinig naaldbomen, ziet het er voor de toekomst van deze rijpende ecosystemen en hun weelderige mycoflora helaas beroerd uit.

Cortinarius bataillei in mosrijke lariksopstand in Boswachterij Gees, 25 oktober 2022
(foto Eef Arnolds).

Naschrift: Na aanleiding van de excursie naar het Modderveen op 10 november 2025, waarbij ook Gordijnzwam-specialist Thom Kuyper mee was, is geconcludeerd dat het niet om Cortinarius bataillei gaat, maar om Cortinarius huronensis, de Valse veenmosgordijnzwam of Oranjesteelgordijnzwam.


23 oktober 2022. Varenverrassingen
Eef Arnolds

Varenmycena (Mycena pterigena) op dode bladspillen van Wijfjesvaren (Athyrium filix-femina) in Boswachterij Gees (foto Eef Arnolds).

Euforie om een paddenstoeltje met een hoed van een paar millimeter. Hoe is het mogelijk! Toch kreeg ik dat gelukzalige gevoel toen ik op 23 oktober de Varenmycena (Mycena pterigena) ontdekte in Boswachterij Gees. Al meer dan een halve eeuw steek ik in de herfst bij tijd en wijlen mijn nieuwsgierige neus in varenpollen in de hoop deze kleine mycena te ontdekken. Steeds tevergeefs, maar nu stond ik op een plek waar er duizenden groeiden. Vrijwel alle half vergane bladspillen onder de grote pollen van de Wijfjesvaren (Athyrium filix-femina) waren bezet met rijtjes van deze vrolijk stemmende mycena. Want is het geen schatje? Een elegant steeltje draagt een kegelvormig, licht geplooid hoedje van hoogstens 5 millimeter doorsnee, met aan de onderkant een paar lamellen die boogvormig op de steel aflopen. De jonge vruchtlichamen zijn helemaal babyroze tot zalmoranje van kleur, maar die tint vervaagt bij het ouder worden. Bij volgroeide paddenstoeltjes is de hoed bijna wit; alleen de rand is dan nog oranje tot roze gezoomd. Ook de steel en lamelsnede zijn getooid met deze subtiele kleuren.
De wijfjesvarens met de mycena’s groeiden op vochtige, lemige grond  aan de rand van een ondiepe greppel langs een zandweg door een schaduwrijk beukenbos. Bij het geneuzel tussen de varens zag ik op een oude bladsteel nog twee kleinere paddenstoeltjes: kort gesteelde, hangende, witte klokjes van 2 millimeter breed. Onder de loep bleek de buitenzijde bezet te zijn met fijne afstaande haren. Ze deden me sterk denken aan het Brandnetelklokje (Calyptella capula) dat op stengels van Grote brandnetel niet zeldzaam is. Die klokjes zijn wat groter en aanvankelijk geel gekleurd, maar kunnen sterk uitbleken. Thuis gekomen bleken de klokjes op de varen duidelijk kleinere sporen te hebben: 5-6,5 x 2,5-4 µm tegen 7-12 x 3,5-5 µm voor het Brandnetelklokje. Funga Nordica en andere boeken leiden direct naar het Aardappelklokje (Calyptella gibbosa), een weinig bekende soort die overal erg zeldzaam lijkt te zijn. Als substraat worden op de eerste plaats rottende stengels van aardappels genoemd, daarnaast dode bladspillen van varens. Een bizarre combinatie, want aardappels en varens zijn helemaal niet verwant en groeien in sterk verschillende habitats. Dat verdient nader onderzoek.

Aardappelklokje (Calyptella gibbosa) op dode bladspillen van Wijfjesvaren (Athyrium filix-femina) in Boswachterij Gees (foto Eef Arnolds).

Twee nieuwe paddenstoelen voor Drenthe op één vierkante centimeter. Je kunt het wel slechter treffen. Gestimuleerd door deze onverwachte vondsten dook ik de volgende dagen  ook op andere plaatsen tussen de varens, en met succes. De Varenmycena trof ik in Boswachterij Gees op drie andere plekken aan, steeds onder oude varens langs greppels. Eén vondst was op Mannetjesvaren, maar de veel algemenere Stekelvarens laten het tot nu toe afweten. Op 28 november dook het paddenstoeltje ook op tijdens de PWD excursie naar Boswachterij Veenhuizen. Een foto daarvan is geplaatst in ons lijfblad Cantharellus, aflevering 26.

Varenmycena (Mycena pterigena) op dode bladspillen van Wijfjesvaren (Athyrium filix-femina) in Boswachterij Gees (foto Eef Arnolds).

22 oktober 2022. Parasolzwammenparadijs in Emmen
Jeroen Onrust

Vorige week was ik in Emmen op de voormalige vuilnisbelt aan de Schansstraat, een plek waar ik als kind al veel kwam omdat het door de voedselrijke omstandigheden als een soort jungle voelde. Tegenwoordig hebben ze het iets meer gecultiveerd door er een wielrenpark van te maken (het heet nu ‘De muur van Emmen’…). Enfin, er zijn gelukkig nog wel wandelpaden en daar zijn in het verleden veel schelpen voor gebruikt, wat resulteert in voor Drenthe bijzondere omstandigheden, ook met afwijkende boomsoorten. Het is dus hele humus- en kalkrijke grond.

Grijsgroene parasolzwam (Lepiota griseovirens) op voormalige vuilstort in Emmen (foto Jeroen Onrust).

Wat me opviel, was de grote verscheidenheid aan kleine parasolzwammen. Ik denk toch zeker wel negen verschillende Lepiota-soorten gevonden te hebben. Vaak groeiden meerdere soorten vlak bij elkaar. Onder een wilg vond ik prachtige Purperbruine parasolzwammen (Lepiota fuscovinacea). Er naast stonden Oranjebruine parasolzwammen (L. boudieri) en de Bleke parasolzwammen (L. subalba). Een stukje verder groeiden kleine, bruingroenige parasolzwammen, die ik als de Grijsgroene parasolzwam (L. griseovirens) determineerde. Misschien stond er ook de Groenschubbige parasolzwam (L. grangei) die een donkergroene hoed heeft en nieuw zou zijn voor Drenthe. Daarnaast de Vaalroze parasolzwam (L. subincarnata) en prachtige Spitsschubbige (L. aspera en Fijnschubbige parasolzwam (L. echinacea). Allemaal zeldzaamheden volgens de Paddenstoelenatlas van Drenthe (Arnolds et al., 2015). Op veel plekken groeiden de wijder verbreide Stinkparasolzwam (L. cristata) en de Kastanjeparasolzwam (L. castanea).

Purperbruine parasolzwam (Lepiota fuscovinacea) op voormalige vuilstort in Emmen (foto Jeroen Onrust).

Naast de parasolzwammen stond er nog veel ander leuks, waaronder in dit zeer voedselrijke milieu uiteraard champignons, zoals de Toverchampignon (Agaricus geesterani), Panterchampignon (A. brunneolus) en Gordelchampignon (A. subperonatus). Maar ook Verkleurzwammetjes (Melanophyllum haematospermum), Gekraagde aardster (Geastrum triplex) en Gewimperde Aardster (G. fimbriatum). Op houtsnippers stonden veel Oranjerode stropharia’s (Leratiomyces ceres) en Geaderde leemhoeden (Agrocybe rivulosa).

Spitsschubbige parasolzwam (Lepiota aspera) op voormalige vuilstort in Emmen (foto Jeroen Onrust).

Hoewel het gebied misschien niet uitnodigend is vanwege de reuzenberenklauwbossen en ondoordringbare braambergen, is het wellicht toch de moeite waard om er volgend jaar een PWD-excursie te plannen. Een groot deel is prima begaanbaar.

Vaalroze parasolzwam (Lepiota subincarnata) op voormalige vuilstort in Emmen (foto Jeroen Onrust).

22 september 2022. Grote harpoenzwam bij Hooghalen
Jeroen Onrust

In de zomer van 2020 groeiden op een enorme houtsnipperbult van lariks in boswachterij Hooghalen honderden exemplaren van de prachtig gekleurde Koningsmantel-vlamhoed (Gymnopilus dilepis). Het is een warmte minnende exoot die graag op broeiende snipperhopen groeit (zie deze rubriek ‘waarnemingen’ van 19 juli 2019). Ook op andere plekken in het bos lagen houtsnipperbulten klaar om opgestookt te worden in de biomassacentrales. Na een paar weken waren ze dus bijna allemaal opgeruimd. In boswachterij Hooghalen bleef echter een kleine bult liggen, blijkbaar niet lonend om op te halen en op te stoken. Gelukkig maar want, hierop groeide ook de Koningsmantelvlamhoed.
De jaren daarop heb ik deze bult meerdere keren bezocht in de hoop deze vlamhoed weer aan te treffen, helaas zonder resultaat. Waarschijnlijk zit er niet meer genoeg broei in.
Bij een recent bezoek op 22 september groeiden er andere, trechtervormige zwammen op de houtsnippers. Ik dacht eerst even aan oesterzwammen, maar de jonge exemplaren waren donker kastanjebruin met een gelatineuze hoed en spierwitte lamellen. Oudere exemplaren waren lichtbruin verkleurd. Misschien een harpoenzwam? Thuis opgezocht en het blijkt inderdaad de Grote Harpoenzwam (Hohenbuehelia petaloides) te zijn die graag op houtsnipperbulten groeit (Van den Berg, 2013). Ik kon één Drentse waarneming vinden: in 2019 vond Rita Sikkema Bergsma de Grote Harpoenzwam ook op een houtsnipperbult in het Drents-Friese Wold. Het materiaal is door Rob Chrispijn microscopisch onderzocht.

Grote harpoenzwam (Hohenbuehelia petaloides) in boswachterij Hooghalen (foto Jeroen Onrust).

Literatuur:
Berg, A. van den, 2013. Grote Harpoenzwam op snipperhopen. Coolia 56(3): 143−145.


11 September 2022. Goudgele vezelkop
Rob Chrispijn

Goudgele vezelkop (Inocybe aurea) in Assen in 2000 (aquarel Eef Arnolds).

Na een warme droge zomer, zoals dit jaar het geval was – wanneer de bossen knisperen onder je voeten en de bermen geel zien van het verdorde gras – dan loont het voor paddenstoelenliefhebbers om op plekken te gaan kijken waar nog wat vocht in de bodem zit, zoals wilgenstruwelen en taluds van beschaduwde greppels. Zondag 11 september maakte ik met mijn vrouw en een vriendin van ons een wandeling door Boschoord, een bosgedeelte dat door de eigenaar, de Maatschappij van Weldadigheid, net buiten Nationaal Park Het Drents Friese Wold is gehouden. We waren vaak in druk gesprek, maar ondertussen lette ik wel op of ik iets interessants zag. We kwamen langs een greppel die een paar jaar terug was afgegraven tot een diepte van twee meter. Ik was blij dat de vrouwen op een open plek voorstelden om even in de zon te gaat zitten. Dat gaf mij de gelegenheid om die greppel nader te inspecteren.

Veel stond er niet, hoewel er op de bodem plaatselijk nog wat water stond. Vanaf het pad zag ik op het lemige en bemoste talud, tussen vele tientallen kiemplanten van Dubbelloof, een stralend geel paddenstoeltje. Ik dacht aan een vreemde leemhoed en moest nogal wat toeren uithalen om in de buurt te komen, want de greppelwanden waren behoorlijk steil. Maar het bleek een vezelkop. Zoals de meesten van ons wel weten, is het voor een vezelkop belangrijk om bij het verzamelen de steel zoveel mogelijk te ontzien. Die levert namelijk belangrijke informatie: wel of geen velum en aan de basis een knol of niet. Ik had geen mes bij me en heb met de nagel van mijn wijsvinger net zo lang in de leem gepeurd tot het paddenstoeltje los kwam. Het leek me iets bijzonders en daarom heb ik het drie centimeter grote paddenstoeltje in mijn hand voorzichtig een paar kilometer naar de auto gedragen. Thuis zag ik met de loep dat de steel niet berijpt was, maar heel fijn wollig behaard. Hij had dus geen cystiden, zoals ik aanvankelijk dacht. Dus een vezelkop in de groep met velum. Onder de microscoop vielen de hoekige sporen op, met af en toe een knobbel, en utriforme cystiden op de lamel. Met de monografie van Stangl (1989) kom je dan vrij makkelijk op de Goudgele vezelkop uit, evenals met de tabel van Thom Kuyper voor de knobbelsporige vezelkoppen, gepubliceerd in Coolia (2006).

Volgens de Verspreidingsatlas zijn er verspreid over ons land zeven vindplaatsen van na 1990 en zes van vóór 1990. Omdat er de laatste dertig jaar veel meer naar paddenstoelen wordt gekeken, betekent dit dat deze soort sterk is achteruit is gegaan. In de Rode Lijst staat hij dan ook als ernstig bedreigd. In de Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe wordt gerefereerd aan een rijke vindplaats in het Asserbosch achter het Wilhelminaziekenhuis in 2000. Omdat ik daar bij was en we uitgebreid foto’s hebben gemaakt, had ik hem moeten herkennen. Maar na een reprise in 2004 op dezelfde plek, heb ik de Goudgele vezelkop nooit meer gezien. Bij het Wilhelminaziekenhuis is de vindplaats van deze internationale zeldzaamheid inmiddels vernietigd door keurig tuinmansbeheer. Het eertijds schrale, mos- en kruidenrijke grasland is dankzij mest en compost veranderd in een net gazonnetje met alleen maar grassprietjes.
Het exemplaar uit Boschoord was te armzalig om er een foto van te maken. Daarom is hier de aquarel gereproduceerd die Eef maakte van de collectie uit het Asserbosch. Daar groeide hij bij Zomereik, in Boschoord bij lariks. Volgens de literatuur is de Goudgele vezelkop niet eenkennig wat boomsoort betreft, maar hij is blijkbaar wel zeer kieskeurig bij het vinden van een geschikte groeiplaats!

Literatuur:
Arnolds, E. & M. Veerkamp. 2008. Basisrapport Rode Lijst Paddenstoelen. Nederlandse
Mycologische Vereniging, Utrecht.
Kuyper, Th. W. 2006. Begin eens met … vezelkoppen (Inocybe) – 2. Coolia 49: 11-17.
Stangl, J. 1989. Die Gattung Inocybe in Bayern. Hoppea 46: 1-402.


7 juli 2022. Witte schelpen op spar
Eef Arnolds & Peter Hauwert

Door de droogte waren er in juli nauwelijks verse paddenstoelen te vinden. Toch kreeg ik begin juli door Peter Hauwert een paar foto’s toegestuurd van vrij grote witachtige, schelpvormige paddenstoelen die hij op twee plekken in Het Drents-Friese Wold had gevonden nabij de rand van het Wapserveld, beide keren op dode sparren. Hij meende dat deze vondsten mogelijk betrekking hadden op Pleurocybella porrigens (geen Nederlandse naam), een witte schelpzwam die in Midden- en Noord-Europa op Fijnspar groeit, maar uit Nederland onbekend is. De vruchtlichamen van die soort vertonen volgens de literatuur veel gelijkenis met die van de Bleke oesterzwam (Pleurotus pulmonarius), welke echter op loofbomen zou groeien.

Bleke oesterzwam (Pleurotus pulmonarius) op dode Fijnspar (foto Peter Hauwert).

Ik durfde op grond van de foto’s geen uitspraak te doen. Daarop bracht Peter me een paar verse vruchtlichamen voor nader onderzoek. Onder de microscoop is het onderscheid tussen beide soorten simpel: Pleurocybella heeft bijna ronde sporen van 5-7,5 x 4-6 µm, de Bleke oesterzwam langgerekte sporen van 8-11 x 3-4,5 µm. Dat laatste bleek het geval. Bleke oesterzwammen dus. Later in het seizoen, op 30 september, werd de Bleke oesterzwam ook gemeld van een sparrenstam uit landgoed Mensinge in Roden door Herman Wegwijzer.

Bleke oesterzwam (Pleurotus pulmonarius) op Fijnspar, van boven (links) en van onderen (rechts) (foto Peter Hauwert).

Een verkenning van de meest relevante literatuur leverde geen enkele melding van deze soort op naaldhout op, ook niet in boeken die extra aandacht besteden aan de standplaatsen van paddenstoelen, zoals de Drentse paddenstoelenatlas (Arnolds et al., 2015) en het werk van Krieglsteiner (2001). De Bleke oesterzwam is niet de eerste paddenstoel die van het gebruikelijke substraat, loofhout, een uitstapje maakt naar sparren. Ook de verwante Schubbige oesterzwam (P. dryinus) en de Bruine anijszwam (Lentinellus cochleatus) zijn onlangs in Drenthe voor het eerst op sparrenhout aangetroffen.

Bleke oesterzwam (Pleurotus pulmonarius) op Fijnspar, van boven (links) en van onderen (rechts) (foto Peter Hauwert).

Literatuur:
Arnolds, E., R. Chrispijn & R. Enzlin (red.). 2015. Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe. Paddestoelen Werkgroep Drenthe, Beilen.
Krieglsteiner, G.J. (ed.). 2001. Die Grosspilze Baden-Württembergs 3. Eugen Ulmer, Stuttgart.


14 mei 2022. Vingerhoedje
Eef Arnolds

Als gevolg van langdurige droogte is er al weken nauwelijks een verse paddenstoel te vinden. Desondanks vond ik vandaag op mijn erf drie exemplaren van het Vingerhoedje, een zeldzame en bedreigde ascomyceet die alleen in de lente fructificeert. De groeiplaats is ongebruikelijk voor paddenstoelen: de humus- en voedselrijke grond van een aardbeienbed in de moestuin. Het verschijnen van vruchtlichamen was ongetwijfeld te danken aan het voorafgaande sproeien van dit deel van de tuin.

Vingerhoedje (Verpa conica) tussen aardbeien in Schepping (foto Eef Arnolds)

Het is de tweede keer dat ik deze soort tussen de aardbeien vind, maar hij heeft geen bijzondere binding met die plant. Het Vingerhoedje is in mijn natuurgebied Schepping in ruim veertig jaar elf maal gevonden, ook in open grasland op bekalkte, humusarme zand- en leemgrond en in een struweel van sleedoorn en meidoorn. Het is opvallend dat de soort op alle groeiplekken slechts gedurende één seizoen te vinden was. Het lijkt er daarom op dat de mycelia een korte levensduur hebben.

Vingerhoedje (Verpa conica) in open grasland in Schepping in 2015  (foto Eef Arnolds)

De vruchtlichamen van het Vingerhoedje zagen er deze keer belabberd uit, enigszins misvormd en met veel aangekleefde grond. Daarom heb ik hieronder ook een foto geplaatst van twee typische exemplaren die ik in 2015 in het grasland van Schepping vond.


 18 april 2022. Voorjaarskluifzwam
Joop Verburg

Ieder die naar paddenstoelen kijkt zal wel soorten hebben die op een verlanglijstje staan. Ik heb de paddenstoelen waarvan ik foto’s heb in de boeken van Gerhardt en Nico Dam geel gearceerd en dan blijven er vanzelf “witte soorten” over waar je interesse naar uitgaat. Een van die soorten was de Voorjaarskluifwam. Hij komt voor in tijden waar andere organismen meer aandacht krijgen en wellicht mede daardoor had ik hem nog nooit gezien.

Voorjaarskluifzwam (Gyromitra infula) in Zuidwolde (foto Joop Verburg)

Onlangs liepen Edwin de Weerd en ik over het Vlinderommetje in Zuidwolde langs het nieuwe gedeelte rond woonpark de Ekelenberg. We keken naar de fraaie weitjes die door Buning zijn verschraald en die inmiddels zijn ingezaaid en met guldenroede ingeplant. Dicht bij de Ommerweg stonden we even stil om met een bekende te praten. Edwin keek wat rond. “Wat is dat  nu?” vroeg hij en ik kreeg een schok en riep: “Voorjaarskluifzwam! Daar heb ik net gisteren weer wat over gelezen op Nature Today en die wilde ik altijd al zo graag zien. En nu zomaar acht exemplaren langs het Vlinderommetje!”

In het artikel dat ik de dag tevoren las stond: ‘De Voorjaarskluifzwam (Gyromitra esculenta, RL; Bedreigd) is een ascomyceet (zakjeszwam) met een witte steel met daarop een sterk geplooid, stevig, geelrood tot zwartbruin fertiel (vruchtbaar) bovendeel. Er zijn exemplaren bekend van twaalf centimeter hoog en vijftien tot twintig centimeter breed. De hele paddenstoel is hol. Ze komen in Nederland hoofdzakelijk voor onder Grove den, soms onder loofbomen en meestal op wat verrijkte plaatsen.’
Het klopte precies want de kluifzwammen stonden langs een paadje bij Grove dennen. Wat een toeval dat ik die uiteindelijk mocht zien zo dicht bij huis.


 8 april 2022. Grote voorjaarsbekerzwam
Jeroen Onrust

Landgoed Kleuvenveen is een particulier landgoed bij Anderen waar begin deze eeuw naald- en loofbomen geplant zijn. Vanwege bezoek aan de naastgelegen natuurbegraafplaats, maak ik regelmatig een rondje over dit landgoed. Afgelopen winter heeft er een dunning plaatsgevonden waarbij rijen fijnsparren gekapt zijn. Door drie opeenvolgende stormen in februari zijn er, waarschijnlijk ook door de dunning, veel sparren gesneuveld en die lagen begin april nog kriskras over de paden.
Terwijl ik me een weg baan langs omgevallen stammen, zie ik een bruine flats middenin het groene mos liggen. Mijn eerste ingeving is dat het uitwerpselen van een hond is die buikloop had, maar al gauw realiseer ik me dat het een Grote voorjaarsbekerzwam (Discina ancilis) is die ik één keer eerder in de Emmerdennen heb gevonden onder dezelfde omstandigheden: een hoop rottend naaldhout volledig overgroeid met mos.

Grote voorjaarsbekerzwam (Discina ancilis) in sparrenbos bij Kleuvenveen
(foto Jeroen Onrust)

De Grote voorjaarsbekerzwam is in Nederland een zeldzame soort van aangeplante sparrenbossen op enigszins basenhoudende grond. Hij staat als Gevoelig op de Rode Lijst. Ondanks het relatief grote aantal sparrenbossen in Drenthe, is de soort ook hier een zeldzaamheid. In de Drentse paddenstoelenatlas (Arnolds et al., 2015) wordt slechts één vondst vermeld uit het Drents-Friese Wold. Sindsdien is deze opvallende lentepaddenstoel op drie andere plekken in Drenthe gesignaleerd. Eerder verscheen in deze rubriek een bericht over de Grote voorjaarsbekerzwam op 17 maart 2020.

Grote voorjaarsbekerzwam (Discina ancilis) in sparrenbos bij Kleuvenveen
(foto Jeroen Onrust)