27 december 2020. Kerstzwammen
Eef Arnolds
Dat het in deze contreien steeds warmer wordt, heb ik ook dit jaar weer aan den lijve ondervonden. Net geen 40 graden van de zomer, maar wel voor het eerst in augustus een aaneengesloten reeks van acht tropische dagen met maxima boven de 30 graden. Ook in de natuur is de klimaatsverandering steeds duidelijker te zien. Omstreeks 1970 was het paddenstoelenseizoen eind oktober wel zo ongeveer voorbij, terwijl de laatste jaren ook november veel zwammig weer in de aanbieding heeft. En soms nog veel later, zoals dit jaar.
Tijdens het afvoeren van maaisel zag ik gisteren uit mijn ooghoeken nog allerlei paddenstoeltjes. Het talrijkst was het Gewoon donsvoetje (Tubaria furfuracea), een behoorlijk winterhard zwammetje dat ook in andere jaren vaak rond Nieuwjaar te zien is. Anders ligt dat voor het Sneeuwzwammetje (Hygrocybe virginea), waarvan nu zes kakelverse exemplaren langs de lelievijver staan. Op de composthoop bloeien fraaie Paarse schijnridderzwammen (Lepista nuda) en een dode vlier is behangen met Judasoren (Auricularia auricula-judae) in plaats van kerstballen. Ook de vele Gekraagde aardsterren (Geastrum triplex) leveren een geslaagde bijdrage aan de kerstsfeer. In het Vaderland staat een jonge Geschubde inktzwam (Coprinus comatus) te wachten tot hij met eigen inkt zijn nieuwjaarskaarten kan schrijven.
In totaal telde ik zo’n 40 soorten paddenstoelen, waarbij zelfs eentje die ik nooit eerder in Schepping gezien heb: de Rechte koraalzwam (Ramaria stricta). Weliswaar een paar oude, verkleurde vruchtlichamen, maar nog heel geschikt om in een kerststalletje de kribbe mee te vullen.


Paarse schijnridderzwam (Lepista nuda, boven links), Rechte koraalzwam (Ramaria stricta, boven rechts) en Gekraagde aardster (Geastrum triplex, onder) in Schepping
(foto’s Eef Arnolds).
19 december 2020. Stuifballen in plaats van kerstballen
Joop Verburg
Midden in Zuidwolde staat in de Hoofdstraat een Paardenkastanje in een bak met zand, met daaromheen wat Klimop, nog bloeiend Klein kruiskruid en wat Straatgras. Tussen de Klimop en op het droge zand zag ik stuifzwammen staan. Wanneer je in het bolletje knijpt, stuift sporenstof naar boven. Omdat de bolletjes op een lange dunne steel staan, gaat het om een stuifbal (geslacht Tulostoma). Gezien de vlakke, niet geplooide en fijn gewimperde stuifopening lijken het mij Ruwstelige stuifballen (Tulostoma fimbriatum). Wel zijn ze erg groot in vergelijking met opgaven in de literatuur: vanaf 5 tot wel 12-15 cm hoog.
Ook de standplaats in Zuidwolde is afwijkend. Stuifballen zijn eigenlijk steppepaddenstoelen. De vier inlandse soorten komen in Nederland voornamelijk voor in open, warme, droge graslanden in de kalkhoudende kustduinen, maar de laatste jaren worden ze ook vaker in het binnenland aangetroffen (zie Verspreidingsatlas/paddenstoelen).
De Ruwstelige stuifbal is in Drenthe in 2014 ontdekt door Els Prins in de buurt van Havelte langs een oud schelpenpad op de grens van bos en heide. Hij is daar ook in latere jaren gevonden. Deze winter is de soort ook gezien door Robbert Vlagsma nabij het Aekingerzand in het Friese deel van het Drents-Friese Wold. Zoals op de foto’s te zien is, groeit de Ruwstelige stuifbal in Zuidwolde in humeus, grof zand. Dat zand is ongetwijfeld van elders aangevoerd en kan daardoor rijk aan kalk zijn.
De Kastanje in het perkje zag er overigens niet best uit. Op de gescheurde bast groeien Groene schelpzwammen, een zwakteparasiet van loofbomen.

Gewimperde stuifbal (Tulostoma fimbriatum) in de Hoofdstraat van Zuidwolde
(foto’s Joop Verburg).
2 december 2020. Blauwe schijfjes
Ruud Lie en Eef Arnolds
Onlangs kreeg ik ter determinatie foto’s toegestuurd door Ruud Lie van een hemelsblauw schijfzwammetje dat hij had gevonden op de basis van dode stengels van Koninginnekruid (Eupatorium cannabinum) in zijn tuin in Zeeuws-Vlaanderen. Ik ben geen specialist in zakjeszwammen (ascomyceten), maar vond de opvallende kleur zo intrigerend dat ik deze schijfjes wel nader wilde onderzoeken. Ruud stuurde me vers materiaal. De schijfjes waren 0,5-2 mm breed met een witte rand, glad en zacht van textuur. De opvallend slanke sporen maten 10-15 x 1,5 µm. In combinatie met het substraat leidden deze kenmerken naar de Konninginnekruidmollisia (Mollisia coerulans). Het Latijnse coerulea betekent (donker)blauw. Deze naam was voor dit materiaal al eerder gesuggereerd door de Zeeuwse mycoloog Henk Remijn. Twijfel omtrent de determinatie werd vooral ingegeven door de afbeeldingen van deze mollisia op Internet die overwegend grijze schijfjes laten zien, zoals van de meeste mollisia’s, hoogstens met een zwak blauw zweem. Een enkele keer is op de afbeeldingen de blauwe kleur intenser, maar nooit zo uitgesproken als in het hier afgebeelde materiaal.
Ten tijde van de Ecologische Atlas van paddenstoelen in Drenthe (2015) was de Konninginnekruidmollisia nog niet uit Drenthe bekend. Recent is deze soort op twee plekken gevonden in de Onlanden ten noorden van Peize. Hij komt ongetwijfeld op meer plekken voor. De soort groeit vooral aan de basis van dode stengels van Koninginnekruid, maar is ook op andere composieten gevonden, zoals Bijvoet en Knoopkruid.
Koninginnekruidmollisia (Mollisia coerulans) op stengels van Koninginnekruid
(foto’s Ruud Lie).
20 november 2020. Kluiven op het kerkhof
Joop Verburg
Al zeker 25 jaar heeft de Natuurvereniging Zuidwolde iedere herfst een excursie in het Faliebergbos van onze onder leiding van Bernhard de Vries, waarbij we altijd een kijkje nemen op de begraafplaats. Die plek blijkt rijk aan bijzondere paddenstoelen, hetgeen heeft geleid tot een gerichte mycologische inventarisatie aldaar. Dat heeft in de loop van de jaren al bijna 400 soorten opgeleverd.
Je vindt soms soorten die wat naam betreft nòg beter dan andere passen op een begraafplaats. De jaarlijkse overvloed aan Tranende franjehoed (Lacrymaria lacrymabunda) is daarvan een treffend voorbeeld, maar ook Zandputjes (Geopora arenicola) misstaan niet in deze omgeving. Datzelfde geldt voor kluifzwammen. In vorige jaren hadden we al vier soorten op de begraafplaats van Zuidwolde waargenomen: de algemeen bekende Witte kluifzwam (Helvella crispa) en Zwarte kluifzwam (H. lacunosa), de vrij zeldzame Roetkluifzwam (H. atra) en één maal de zeldzame Nonnenkapkluifzwam (H. spadicea), tot op heden de enige vondst in Drenthe. Afgelopen week kwam daar de Holsteelkluifzwam (H. elastica) bij.
Genoeg te kluiven dus op de begraafplaats!

Witte kluifzwam (Helvella crispa, links), Holsteelkluifzwam (H. elastica, rechts).

Zwarte kluifzwam (Helvella lacunosa, links), Roetkluifzwam (H. atra, midden), Nonnenkapkluifzwam (H. spadicea, rechts) (foto’s Joop Verburg).
15 november 2020. Trechteroesterzwam, bijna vergeten
Joop Verburg
Corona-tijd biedt gelegenheid om rustig in je paddenstoelen-fotoverzameling te zoeken en in de boeken te studeren. Ik combineer de dingen door in mijn paddenstoelenboeken de fotonummers bij de soorten te zetten en tegelijkertijd te controleren of dat wel overal goed zit. Ik werkte vandaag met “The Encyclopedia of Fungi of Britain and Europe” van Michael Jordan. Een prachtig boek maar met heel veel namen die inmiddels gewijzigd zijn, dus veel zoekwerk. Ik kwam bij de oesterzwammen en zag daar foto’s van de diverse soorten. Gewone oesterzwam: geen probleem, Geschubde oesterzwam ook al niet. Bleke oesterzwam. Ik had meerdere foto’s, maar….. daaronder stond in het boek een foto van de Trechteroesterzwam (Pleurotus cornucopioides), die mijn ineens deed denken aan een foto die ik in 2010 maakte in het Schoolbos aan de oostkant van Zuidwolde. Ik herinner het mij nog goed, want ik vond het schitterende exemplaren op een oude gevallen loofboom. Ik had ze destijds Bleke oesterzwammen ( P. pulmonarius) genoemd.
Natuurlijk keek ik even in de verrukkelijke grote paddenstoelenatlas van Drenthe. Daarin worden twee vondsten ooit van de Trechteroesterzwam vermeld, dus het is bepaald een zeldzaamheid in Drenthe. Voor de zekerheid stuurde ik de foto’s naar Eef die bevestigde dat het om deze soort gaat: “Het is inderdaad de Trechteroesterzwam vanwege de lange stelem met ver aflopende lamellen die naar beneden toe met elkaar in verbinding staan, zoals (met enige moeite) te zien is, vooral bij het middelste exemplaar. Ook de tijd van het jaar (augustus) klopt goed, want de Trechteroesterzwam is een lente- en zomersoort. De Gewone oesterzwam fructificeert meestal later, maar de Bleke oesterzwam kan er ook vroeg bij zijn.”
Zo is deze vondst, die bijna vergeten was, toch nog aan het licht gekomen.

De Trechteroesterzwam (Pleurotus cornucopioides) in het Schoolbos van Zuidwolde in 2010 (foto Joop Verburg).
9 november 2020. De Kopervlok rukt op!
Eef Arnolds
Op 9 november stond een PWD-excursie gepland naar een paar sparrenbossen in Boswachterij Gieten die door Staatsbosbeheer op grond van de mycoflora als naaldbosreservaat worden beheerd. De publieke excursie moest wegens coronamaatregelen worden afgelast, maar we gingen toch met een paar mensen doelgericht op pad om de huidige situatie in de sparrenreservaten voor Staatsbosbeheer vast te leggen. We bezochten drie percelen, twee met fijnspar en één bosvak waar zilverspar is aangeplant, in Nederland een uitzonderlijke boomkeuze.
Een van de meest opvallende resultaten is dat in al deze drie percelen op diverse plekken de Kopervlokgordijnzwam (Cortinarius spilomeus) werd gevonden. Het is van boven een vrij onopvallende paddenstoel met een middelgrote, okerbruine tot grauwbruine hoed, maar de soort is van onderen direct herkenbaar aan de steel die bezet is met velumresten in de vorm van koperrode vlokjes. Hoewel in de praktijk de herkenbaarheid soms tegenviel, want soms moest de loep er aan te pas komen om nog wat rode vezeltjes op de steel te ontwaren.

Kopervlokgordijnzwam (Cortinarius spilomeus) in boswachterij Gieten (foto Eef Arnolds).
De Kopervlokgordijnzwam is een mycorrhizapartner van diverse naaldbomen, met in ons land een voorkeur voor spar en hij was tot voor kort uiterst zeldzaam. In de Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe (Arnolds et al., 2015) worden drie vondsten genoemd, tevens de enige in Nederland. Volgens de NMV-Verspreidingsatlas is de soort nu van negen atlasblokken bekend, waarvan vier in Drenthe. Dit jaar is de Kopervlokgordijnzwam door Rob Chrispijn ook in een fijnsparrenbos bij Veenhuizen gevonden. Het aardige is dat we er in dit geval nagenoeg zeker van zijn dat deze paddenstoel zich in de vier genoemde naaldbosreservaten zeer recent heeft gevestigd, want deze terreinen zijn vaker bezocht en vijf jaar geleden uitgebreid geïnventariseerd. Ook een andere gordijnzwam, de Valse gordelsteelgordijnzwam (C. flos-paludis) heeft zich hier recent sterk uitgebreid.
Het betekent dat de mycoflora in de Drentse sparrenbossen zich nog steeds meer en meer ontwikkelt naar de paddenstoelenflora van natuurlijke sparrenbossen in Scandinavië en Centraal-Europa. Laten we hopen dat de letterzetter en bosbeheerders ons toestaan om deze boeiende ontwikkeling nog enige tijd te volgen.
27 oktober 2020. Een dozijn wasplaten op de begraafplaats van Zuidwolde!
Joop Verburg
Nog maar een week geleden schreef ik over de Geurende wasplaat (Hygrocybe russocoriacea) en de Grauwe wasplaat (H. irrigata) als nieuwe soorten op de begraafplaats in Zuidwolde. Ik hoorde van Erik Jan Plantinga dat het aantal Grauwe wasplaten zich had uitgebreid naar 15, dus ik ben daar vandaag maar weer even heengelopen. Dichtbij de plek van de Grauwe wasplaat zag ik een paar kleine paddenstoeltjes die mijn aandacht trokken. Glimmende hoedjes waarbij de eerste “gewoon” de Zwartwordende wasplaat (H. conica) was, maar de andere twee waren kleverig en vertoonden groene kleuren. Daarbij ging het natuurlijk om weer een nieuwe soort: het Papegaaizwammetje (H. psittacina). Daarmee is het dozijn wasplaten gecompleteerd! Jeroen, die met mij mee was, zag nog een donker glimmend bolletje en dat bleek een jong exemplaar van deze soort. Daarnaast vonden we in dit vak ook nog het zeer kleine Bezemkoraaltje (Ramariopsis tenuiramosa) naast verschillende knotszwammen en satijnzwammen. Allemaal soorten die passen bij een oud, schraal grasland op iets lemige zandgrond.

Papegaaizwammetje (Hygrocybe psittacina, links) en Bezemkoraaltje (Ramariopsis tenuiramosa, rechts) op de begraafplaats in Zuidwolde (foto’s Joop Verburg).
Ongelofelijk dat we op een gebied van nauwelijks 1 hectare zoveel juweeltjes vinden. Het oudste deel van de begraafplaats is al bijna 200 jaar oud. 200 Jaar geen sterk verstorende activiteit, geen bemesting, geen grote machines. We zijn in druk overleg met de beheerder om het beheer zorgvuldig voort te zetten. Het plan van de Natuurvereniging Zuidwolde voor een publicatie over de historische waarden en de natuurwaarden van de begraafplaats in Zuidwolde, krijgt steeds meer betekenis.
23 oktober 2020. Een aangename verrassing: de Blozende schijnridderzwam
Henk Pras
Op vrijdag 23 oktober toog een trio mycoloten, Covid-19 trotserend, naar het Noordsche veld tussen Norg en Donderen (km-hok 229 – 566). De berm vanaf de parkeerplaats naar het bos stond bezaaid met de niet alledaagse Bruine grauwkop (Lyophyllum confusum). Ik kende hem uit het “Buinerbosje” bij sparren. Hier stonden loofbomen met hier en daar een den.
Tussen al dit “schoons” stond een groepje blozende onbekenden die ook nog geparfumeerd roken. De kleur van de lamellen deed me denken aan zalmplaten (Clitopilus), maar thuis sprak de microscoop andere taal. Zalmplaten hebben sporen met wratjes of lijsten en van dit geval waren de sporen glad en opvallend klein: 4,5-5 x 2-3 µm. Frustratie alom. Daar kan ik `s nachts wakker van liggen.
Echter …. Ik stuurde een foto aan Eef en hij zag in één oogopslag dat het de zeldzame Blozende schijnridderzwam (Lyophyllum martiorum) moest zijn. Dat bleek helemaal te kloppen.
Nu herinner ik me de PWD-excursie naar het Eexterveld en landgoed Terborgh d.d. 22-10-2011 waar ik om 15.33 uur de eerste vondst uit de brandnetels langs een schelpenfietspad peurde. Dat was de eerste waarneming in Nederland, die nog net in de Paddenstoelenatlas van Drenthe (2015) kon worden opgenomen. Inmiddels toont de NMV-Verspreidingsatlas zeven vindplaatsen, waarvan vier in Drenthe.

Blozende schijnridderzwam (Lepista martiorum) bij het Noordsche Veld. Foto Henk Pras.
20 oktober 2020. De Roetkluifzwam bij het Blauwe Meer en Oude Willem
Hans Post
Op 20 oktober vond ik een voor mij nieuwe kluifzwam. Ik determineerde hem als Roetkluifzwam (Helvella atra). Twee exemplaren (foto 1) stonden langs het fietspad aan de oostzijde van het Blauwe Meer in de grazige, bemoste berm (52°52’42’’N- 06.24’24’’E). Het is een voormalig schelpenfietspad met zowel naald- als loofbomen nabij. Uitgespoelde schelpenpaden zijn als karakteristieke vindplaatsomstandigheden van deze soort bekend (Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe, Arnolds et al., 2015).
Twee dagen eerder, op 18 oktober, vond Rita Bergsma in de berm langs het fietspad tussen Oude Willem en Diever eveneens de Roetkluifzwam (vier exemplaren). Zij plaatste foto’s daarvan in een van de paddenstoelengroepen op Facebook. Hij werd in eerste instantie gedetermineerd als een Zwarte kluifzwam (Helvella lacunosa), maar nader onderzoek door Rita op 19 oktober bevestigde dat het hier eveneens om de Roetkluifzwam ging (foto 2). De soort verschilt duidelijk van de Zwarte kluifzwam, o.a. door de vorm van de hoed en de niet geribde steel.
In de Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe staat de Roetkluifzwam als zeer zeldzaam met elf vindplaatsen in de provincie. Op Waarneming.nl worden voor de periode 2015-2020 zeven waarnemingen uit Drenthe vermeld, inclusief mijn eigen waarneming. De Roetkluifzwam staat als kwetsbaar op de Nederlandse Rode Lijst.

Roetkluifzwam (Helvella atra) bij het Blauwe Meer (links, foto Hans Post) en bij Diever (rechts, foto Rita Bergsma).
19 oktober 2020. De Geurende en Grauwe wasplaat op de begraafplaats van Zuidwolde
Jan Erik Plantinga en Joop Verburg
Iedereen die zich een beetje verdiept in de mycologie zal opveren bij het woord wasplaten. Wasplaten zijn de orchideeën onder de paddenstoelen. Ze zijn opvallend gekleurd en groeien altijd in bijzondere milieus. De meeste soorten zijn karakteristiek voor graslanden op voedselarme, langdurig ongestoorde grond. Sommige soorten zoals het knalrode Vuurzwammetje (Hygrocybe miniata) en het ivoorwitte Sneeuwzwammetje (Hygrocybe virginea) zijn wat minder kritisch, maar de meeste andere soorten krijg je maar zelden te zien. Ze hebben opvallende kleuren en prachtige namen, zoals de felrode Kabouterwasplaat (H. insipida), de oranje Puntmutswasplaat (H. acutoconica), de gele Elfenwasplaat (H. ceracea) en de dieprode Granaatbloemwasplaat (H.punicea). Er is ook een wasplaat die jong helemaal groen is en altijd een groen zweem behoudt, het Papegaaizwammetje (H. psittacina).
Rond Zuidwolde zijn verschillende natuurgebieden waar enkele soorten wasplaten voorkomen. Het rijkste wasplatengebied van Zuidwolde is, als het om het aantal soorten gaat, de begraafplaats. En dat niet alleen; het is momenteel ook verreweg het soortenrijkste wasplatenterrein van Drenthe! Al jaren kijken leden van de Natuurvereniging Zuidwolde naar de paddenstoelenflora aldaar en het aantal waargenomen soorten nadert de 400.
Vandaag waren we opnieuw op zoek op de begraafplaats. Jan Erik had daar vorige week de Geurende wasplaat (H. russocoriacea) gevonden, een soort die in Drenthe maar op een paar plekken bekend is (Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe, Arnolds et al., 2015). Deze wasplaat lijkt op het Sneeuwzwammetje, maar hij ruikt verrukkelijk en sterk zoetig, volgens de boekjes naar cederhout of juchtleer. Wanneer er veel bij elkaar staan kun je ze al van afstand ruiken.

Geurende wasplaat (Hygrocybe russocoriacea) op de begraafplaats van Zuidwolde
(foto Joop Verburg).
We zagen vandaag de Zwartwordende wasplaat, de Puntmutswasplaat en het Sneeuwzwammetje, maar tegen het eind van de middag op het oudste deel van de begraafplaats zagen we een bruine paddenstoel die ons naar adem deed happen. Het ging om de Grauwe wasplaat (H. irrigata), een soort die nu eens geen heldere kleuren vertoont. Hij is gemakkelijk te herkennen aan de zeer slijmige, licht tot donker grijsbruine hoed en steel in combinatie met de dikke, licht getinte, wasachtige lamellen. De Grauwe wasplaat stelt hoge eisen stelt aan zijn groeiplek, wat wel blijkt uit het feit dat hij maar één keer eerder in Drenthe is gevonden, bij Foxwolde in 2001 (Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe, Arnolds et al., 2015).

Grauwe wasplaat (Hygrocybe irrigata) op de begraafplaats van Zuidwolde
(foto Joop Verburg).
Een dansje op een begraafplaats is ongepast, maar wij waren de koning te rijk. Het is de elfde soort wasplaat op de begraafplaats van Zuidwolde en het laat zien wat voor bijzonder gebied dit is met oude, onbemeste en betrekkelijk ongestoorde stukjes grasland die met zorg onderhouden worden.
15 oktober 2020. Teervlekkenzwammen
Jaap Veneboer en Eef Arnolds
Jaap Veneboer zond bijgaande fraaie foto’s van de Valse teervlekkenzwam (Ischnoderma resinosum), door hem gevonden op een dode beukenstam op de Bisschopsberg bij Darp. Zoals de Nederlandse naam al suggereert is dit een dubbelganger van de Teervlekkenzwam (I. benzoinum), een vrij algemene paddenstoel op dode stammen en stronken van naaldbomen, vooral dennen en sparren. Beide soorten hebben een aanvankelijk fijn behaarde, bruine, zwak gezoneerde hoed die later glad wordt en pleksgewijs glanzend zwart verkleurt. Daaraan ontlenen de paddenstoelen hun Nederlandse namen. Vruchtlichamen van beide teerzwammen zijn voor buisjeszwammen vrij zacht en scheiden in vochtige toestand jong bloedrode, later bleekoranje druppels uit. Die zijn op de foto’s mooi te zien.


De Valse teervlekkenzwam (Ischnoderma resinaceum) op een beuk op de Bisschopsberg bij Darp (foto’s Jaap Veneboer).
Tot voor kort was alleen de Teervlekkenzwam uit Nederland bekend. De Valse teervlekkenzwam wordt nog niet vermeld in de Standaardlijst van Nederlandse paddenstoelen van 2013 en de Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe uit 2015. De eerste vondst werd in Nederland gedaan in 2012 bij Slochteren en beschreven door Osieck & Wassink in Coolia 56: 66. 2013. Inmiddels is de soort reeds uit 63 atlasblokken bekend met een zwaartepunt op de Veluwe en in Salland (zie kaart in NMV verspreidingsatlas). Kennelijk breidt de soort zich razendsnel uit, iets dat vaker bij houtzwammen gebeurd is. In Drenthe is de Valse teervlekkenzwam ook al van zes plaatsen bekend.
Een belangrijk verschil tussen beide teerzwammen is het substraat: de Teervlekkenzwam groeit hoofdzakelijk op naaldhout, heel zelden op loofbomen en nooit op Beuk; De Valse groeit alleen op loofbomen met een uitgesproken voorkeur voor Beuk. Er zijn ook andere onderscheidende kenmerken. De Valse teervlekkenzwam heeft dikkere vruchtlichamen (10-25 mm) en een meer afgeronde hoedrand dan de Teervlekkenzwam. Ook zijn de poriën en het vlees bij de Valse teervlekkenzwam witachtig tot bleek bruin, bij de Teervlekkenzwam donkerder bruin. Ter illustratie zijn hieronder ook twee foto’s van de Teervlekkenzwam opgenomen.


De Teervlekkenzwam (Ischnoderma benzoinum) op een den in het Reestdal bij de Wildenberg; onder zeer jonge vruchtlichamen (foto’s Jaap Veneboer).
10 oktober 2020. Nog drie nieuwe brandplekpaddenstoelen op het Doldersumerveld.
Ronald Morsink heeft na een heftige heide- en bosbrand op het Doldersumerveld in 2018 de vestiging van brandplekpaddenstoelen aldaar bestudeerd. Over zijn waarnemingen in 2018 en 2019 is daarover een rapport verschenen (zie de pagina Publicaties). In 2020 heeft hij zijn onderzoek voortgezet en hij berichtte dat hij tot zijn verbazing de afgelopen maand nog drie soorten aan de lijst kon toevoegen. De eerste is de Zemelige brandplekbekerzwam (Peziza echinospora), een forse geelbruine tot roodbruine bekerzwam met een zemelige buitenkant die wordt gekenmerkt door elliptische, fijn gestekelde sporen. Deze soort is in Drenthe zeer zeldzaam en staat als bedreigd op de landelijke Rode Lijst. Het Bruin ballonbekertje (Sphaerosporella brunnea) is eveneens bruin, maar veel kleiner en de buitenkant is dicht bezet met bruine haren. Ook deze soort is in Drenthe zeer zeldzaam en hij geldt als ernstig bedreigd.

Zemelige brandplekbekerzwam (Peziza echinospora) en Bruin ballonbekertje (Sphaerosporella brunnea) op het Doldersumerveld (foto’s Ronald Morsink).
De Zwarte korstkogelzwam (Hypoxylon mediterraneum) is een nieuwe soort van Drenthe en landelijk van enkele ver uiteen gelegen plekken bekend. De zwarte, korstvormige vruchtlichamen groeiden in het Doldersumerveld op verbrand hout van een staande boomstam. Hij is echter niet gebonden aan verbrand hout, maar kan ook op warme, geëxponeerde plekken groeien, zoals kapvlaktes.

Zwarte korstkogelzwam (Hypoxylon mediterraneum) op het Doldersumerveld
(foto’s Ronald Morsink).
5 oktober 2020. De Purperrode russula bij Hooghalen, een nieuwe sparrenbegeleider voor Drenthe
Eef Arnolds
De Purperrode russula (Russula queletii) is een obligate mycorrhizapartner van Fijnspar. Al vele jaren doen Rob Chrispijn en ik uitgebreid mycologisch onderzoek in sparrenbossen in Drenthe en toch waren we deze paddenstoel nog nooit tegengekomen. Dat is niet zo verwonderlijk, want deze russula is kenmerkend voor sparrenbossen op kalkrijke, liefst lemige en kleiïge bodems. Daar is de soort in Centraal-Europa vrij algemeen. In Nederland is het een zeldzaamheid. Hij was vooral bekend van sparrenaanplanten in de IJsselmeerpolders, maar daar zijn inmiddels veel sparrenbossen gekapt en de Purperrode russula is er sterk achteruitgegaan. Ook in Zuid-Limburg liggen een paar bekende vindplaatsen.
Toch lijken ook in Drenthe geschikte vindplaatsen voor de Purperrode russula in principe aanwezig, namelijk de bermen van schelpenpaden door sparrenbossen en daarnaast oudere sparrenplantages op voormalige landbouwgrond, zoals het roemruche Buinerbosje. Daar komen ook andere basenminnende sparrensynbionten voor, zoals de Peenrode melkzwam (Lactarius deterrimus) en Slijmige spijkerzwam (Gomphidius glutinosus). Die plaatsen worden veelvuldig door mycologen bezocht, maar de Purperrode russula was er nooit gevonden. Tot ik vandaag vanaf de fiets een groepje zeer donker getinte russula’s ontwaarde in de grazige berm van de weg ‘Hemeloor’ door Boswachterij Hooghalen. Ze groeiden zij aan zij met een groep peenrode melkzwammen nabij een groep oude sparren, de enige naaldboom in de verre omtrek. Ik herkende de Purperrode russula verder aan de typische licht roomkleurige tint van de lamellen en de sterke fruitige geur (volgens sommigen exact de geur van kruisbessenjam). De microscoop bevestigde de determinatie: de sporen waren bezet met lange, spitse stekels.
Voorzichtigheid is geboden, want er is een veel algemenere dubbelganger die vaak met de Purperrode russula wordt verward, de Duivelsbroodrussula (Russula drimeia). Die paddenstoel groeit weliswaar meestal onder Grove den, maar soms onder Fijnspar. Hij verschilt van de Purperrode russula in het veld vooral door het ontbreken van de zoete geur en de citroengele lamellen, verder door een minder slanke habitus en een meer violette hoedtint. De sporen zien er heel anders uit, versierd met afgeronde wratjes, gedeeltelijk onderling verbonden door lage kammen .
Op Waarneming.nl wordt één goedgekeurde waarneming van de Purperrode russula in Drenthe gemeld, in 2015 bij Emmermeer door M. van der Leij, maar liefst 100 vruchtlichamen bijeen. De bijgevoegde foto lijkt echter veel meer op de Duivelsbroodrussula. In de opmerkingen meldt de waarnemer dat de paddenstoelen bij dennen groeien, hetgeen deze veronderstelling bevestigt, want de Purperrode russula is gebonden aan spar. Hier heeft een moderator van Waarneming.nl zitten slapen, en dat lijkt niet de enige keer te zijn. De meeste foto’s op die site onder de naam ‘Purperrode russula’ lijken mij fout gedetermineerd.
Op de NMV-verspreidingsatlas staan ook twee oudere stippen van voor 2010 in het westen van Drenthe. Deze waarnemingen konden niet worden geverifieerd en zijn niet opgenomen in de Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe. De verspreidingskaart van de Purperrode russula in Nederland is onbetrouwbaar en hoognodig aan een revisie toe! Het is ongetwijfeld een uitgesproken zeldzame soort in plaats van ‘vrij algemeen’, zoals in de verspreidingsatlas wordt beweerd.

De Purperrode russula (Russula queletii) in Boswachterij Hooghalen; rechts een vruchtlichaam van de Peenrode melkzwam (Lactarius deterrimus) (Foto Eef Arnolds).
6 september 2020. Staalsteelalert!!!
Eef Arnolds
Al een dikke twee weken ben ik achter mijn huis bezig met het systematisch uittrekken en uitspitten van opslag van wilgen, berken en eiken in het grasland van het natuurontwikkelingsgebied van Schepping. Een gigantische klus, want het staat er vol met duizenden jonge boompjes. Ze worden weliswaar jaarlijks afgemaaid, maar desondanks ontwikkelen ze ’s zomers steeds langere scheuten, zodat het nu plaatselijk meer lijkt op een jong bos dan op grasland. En dat is niet mijn bedoeling.
Tijdens het trekken van boompjes viel mijn oog vandaag bij toeval op een paar schubbige, violetbruine hoedjes tussen het mos. Ze bleken vast te zitten aan dunne, blauwe stelen. Staalsteeltjes dus! Daarvan gaat mijn hart altijd een beetje sneller kloppen. Na microscopisch onderzoek bleek dit paddenstoeltje het zeldzame Blauwbruin staalsteeltje (Entoloma pseudocoelestinum) te zijn. In de directe omgeving daarvan groeiden nog twee andere staalsteeltjes, allebei herkenbaar in het veld. De Bruine zwartsneesatijnzwam (E. caesiocinctum) heeft een karakteristieke combinatie van een bruine hoed, blauwe steel en aanvankelijk blauwachtige lamellen met een donkerblauw gekartelde snede. Een prachtige paddenstoel! Een subtiel kleinood is het zeer zeldzame Grootsporig staalsteeltje (E. cyanulum) met een gewelfd blauw hoedje tot 1 cm breed en bijna vrije, aanvankelijk witte lamellen, contrasterend met een rank, blauw steeltje.
Deze vondsten waren voor mij aanleiding om ook elders in het grasland naar deze paddenstoeltjes te speuren, maar vergeefs. Ze groeiden alleen maar gezellig bij elkaar op twee vierkante meters, waaraan voor mij niets bijzonders was te zien. Raadselachtig.
Blauwbruin staalsteeltje (Entoloma pseudocoelestinum) links, Bruine zwartsneesatijnzwam (E. caesiocinctum) rechts, beide in Schepping bij Beilen (foto’s Eef Arnolds).
Wel vond ik in een paar vierkante meter heischraal grasland bij de tuinvijver nog een ander staalsteeltje, voorzien van een wat paarsig bruine, diep gestreepte hoed met alleen schubjes in het centrum, bleekroze lamellen en een lichtgrijze steel met zwakke blauwe inslag. De paddenstoel kwam mij onbekend voor. Daaraan moest weer de microscoop te pas komen. Ik kwam met de standaardwerken van Noordeloos zonder problemen uit op de Porfiergrijze satijnzwam (E. porphyrogriseum). Deze soort lijkt veel op de kleinsporige variëteit van het Somber staalsteeltje (E. polipus var. parvisporigerum), maar die heeft een ongestreepte, sterk schubbige, bruine hoed en een donkerblauwe steel. De Porfiergrijze satijnzwam is pas onlangs aan de Nederlandse lijst is toegevoegd. De verspreidingsatlas toont twee stippen, bij Oostvoorne en bij Mook. Een mooie aanwinst voor Drenthe dus!
Grootsporig staalsteeltje (Entoloma cyanulum) links, Porfiergrijze satijnzwam
(E. porphyrogriseum) rechts, beide in Schepping bij Beilen (foto’s Eef Arnolds).
Staalsteeltjes zijn zeer kenmerkend voor waardevolle, stabiele, schrale graslandvegetaties, inclusief wegbermen. De meeste soorten zijn zeldzaam en ze staan bijna allemaal op de Rode Lijst. Ze vormen vroeg in het seizoen vruchtlichamen kort na flinke regenval, met een optimum in september. Gunstige omstandigheden doen zich maar af en toe voor. Vandaar dus het Staalsteelalert. Het is de moeite waard om nu op pad te gaan en in geschikte terreinen te zoeken naar deze prachtige paddenstoeltjes. Later in het jaar kun je op hun groeiplaatsen wasplaten, knotszwammen en aardtongen verwachten. Succes!
31 augustus 2020. Het Veenmosvuurzwammetje (Hygrocybe coccineocrenata) op de Takkenhoogte en bij Schrapveen
Joop Verburg
Op 27 augustus 2020 -het was ’s middags redelijk weer met nu en dan een zonnetje en droog- ben ik naar de Takkenhoogte gefietst. Doel was om te zien of daar al wat paddenstoelen de kop opstaken in verband met de voorgenomen excursie van de PWD op 31 augustus in Assen. In de bosranden zag ik geen enkele paddenstoel. Op het grote heideveld kwam ik alleen een paar bekende mestzwammen tegen: Mestkaalkopjes (Deconica coprophila) en Donzige breeksteeltjes (Conocybe pubescens). Geen gunstige voortekenen voor de excursie dus, die inmiddels dan ook is afgelast.
Gelukkig zie je nog wel allerlei andere interessante dingen, met als hoogtepunt een Kleine vuurvlinder die een eitje afzette op een mini-plantje van de Schapenzuring. Zowel de eileggende vlinder als het eitje kon ik fotograferen. Hoewel deze website over paddenstoelen gaat, wil ik jullie een foto toch niet onthouden.

Kleine vuurvlinder legt eitjes op Schapenzuring in Takkenhoogte (links), het eitje op Schapenzuring (rechts) (foto’s Joop Verburg).
Bij de grote plas in het midden is de rand onbegroeid. Die wordt kaal gehouden door ganzen en andere watervogels, maar in de grasrand daaromheen stonden honderden Veenmosvuuurzwammetjes (Hygrocybe coccineocrenata). Hoewel nergens veenmos groeide, was het onmiskenbaar vanwege de langs de steel aflopende wittige plaatjes en de bruine schubben op de hoed van volgroeide exemplaren. In één opzicht wordt je eerst wel op het verkeerde been gezet, want deze wasplaatjes zijn bijna net zo teer en breekbaar als het Broos vuurzwammetje (H. helobia). Ieder paddenstoeltje dat je aanraakt valt direct uit elkaar. Die soort heeft echter geen aflopende lamellen en geen donkere schubjes op de hoed.
Een paar dagen eerder was ik met de plantenwerkgroep van Zuidwolde in Schrapveen; een prachtig en oeroud nat gebied langs de Reest, in beheer bij Het Drentse Landschap. Door elkaar heen staan daar plantenjuweeltjes als Draadrus, Draadzegge en het nog zeldzamer Stijf struisriet, afgewisseld en versierd met vele honderden exemplaren van de Blauwe knoop. Ook daar vonden we – maar nu wel tussen het veenmos- Veenmosvuurzwammetjes. Op die plek waren ze al wel bekend. Op de Takkenhoogte nog niet.
Eef Arnolds vertelde me dat deze fraaie wasplaatjes nu ook bij honderden staan op de lemige oevers van een plas in zijn natuurgebied Schepping bij Beilen. Daarover heeft hij eerder bericht in deze rubriek op 11 juli 2019. Dit jaar zijn ze daar een dikke maand later en veel talrijker.

Veenmosvuuurzwammetje (Hygrocybe coccineocrenata) op Takkenhoogte
(foto’s Joop Verburg).
1 augustus 2020. Vroege inktvis op het droge
Eef Arnolds
Gerrit Remmelzwaal stuurde me op 31 juli een paar fraaie opnames van de fotogenieke Inktviszwam (Clathrus archeri). Hij ontdekte een groep van zeven vruchtlichamen op een met houtsnippers bedekt wandelpad tussen Coevorden en Steenwijksmoer. Uit het zuiden van Drenthe waren nog geen waarnemingen bekend. Vondsten zo vroeg in het jaar zijn niet uitzonderlijk. De meeste Inktviszwammen worden gemeld in augustus en september.
Inktviszwam (Clathrus archeri) bij Coevorden (foto’s Gerrit Remmerzwaal).
17 maart 2020. Lentebekers!
Op 11 maart vond Rita Sikkema in Het Drents-Friese Woud een groep van de Grote voorjaarsbekerzwam (Discina ancilis). Rita schrijft hierover: ‘Op mijn dagelijkse fietsroute fiets ik vaak langs de ruïne van Uilenhorst. Dit keer zou ik richting Diever gaan, maar gelijk na de brug over de Tilgrup stonden deze prachtige zwammen langs het fietspad op een oude stobbe. Dus gelijk in het begin van mijn route heb ik al een dansje gemaakt. Omdat ik de Grote voorjaarsbekerzwam vorig jaar ook had gevonden bij het Groote Veen te Appelscha, dacht ik enigszins te weten wat het was. Dat is door Eef Arnolds op grond van de foto bevestigd. Een fraaie zeldzaamheid dus.’

Grote voorjaarsbekerzwam (Discina ancilis) in het Drents-Friese Wold (Foto Rita Sikkema).
De Grote voorjaarsbekerzwam is door Rita Sikkema aangetroffen langs de Houtvester Jansenlaan aan de oostkant van de Tilgrup, enkele meters over de provinciegrens met Friesland. In de Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe wordt slechts één vondst gemeld uit 2010 in een oude sparrenopstand (het befaamde ‘zwarte-bekerzwammen-bos’) elders in het Drents-Friese Woud. Dat perceel is inmiddels vrijwel helemaal gekapt en de soort is er nooit teruggezien.
Daarna is de Grote voorjaarsbekerzwam op 23 maart 2019 gefotografeerd door Boelie Boelens in de Emmerdennen. Alle vondsten in Drenthe zijn gedaan op deels vermolmde stronken of halfbegraven stammen van Fijnspar op vochtige, tamelijk voedselrijke grond.
Op 14 maart waren in Schepping al twintig jonge Bokaalkluifzwammen te zien op een bekende vindplaats bij een eik aan de rand van een bekalkt grasland op leem. Ze zijn dit jaar extreem vroeg, net als veel andere voorjaarspaddenstoelen. In Drenthe stamt 78% van de waarnemingen uit mei, 18 % uit april, 2% uit augustus en slechts 2% uit maart (n=51) (Arnolds, Chrispijn & Enzlin, Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe 2. 2015).

Bokaalkluifzwam (Helvella acetabulum) in Schepping (Foto Eef Arnolds).
2 maart 2020. Tijd voor mummiekelkjes
De overgang van winter naar voorjaar is de geschikte tijd om te speuren naar mummiekelkjes (geslacht Ciboria). Het zijn gesteelde, bruine kelkjes van enkele mm tot 1 cm breed die groeien op katjes en zaden van diverse bomen en struiken. De meest bekende soort is het Elzenkatjesmummiekelkje (Ciboria amentacea) dat meestal groeit op overjarige mannelijke katjes van elzen, soms ook op wilgenkatjes. Froukje Jongbloed stuurde een foto toe van deze soort op het laatste substraat.

Elzenkatjesmummiekelkje (Ciboria amentacea) op wilgenkatje
(Foto Froukje Jongbloed).
Zij vond in februari ook een heel bijzondere soort: het Hazelmummiekelkje (Ciboria coryli). Deze soort is in Nederland zeer zeldzaam en was pas één keer eerder in Drenthe gevonden, in 2010 door Anneke Palthe in een bossingel bij Anderen (Arnolds, Chrispijn & Enzlin, Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe 3 : 367. 2015).
Froukje schrijft hierover het volgende:
2 en 3 februari 2020 : Het Hazelmummiekelkje in het Kyllotsbos te Smilde
Op zondagmiddag 2 februari ging ik nog even een wandeling maken door het Kyllotsbos richting Kortewegsbos in Smilde. Vrij laat omdat het de hele dag erg buiig was geweest. In een verbindingsbosje, met hazelaars aan de rand , vond ik het Hazelmummiekelkje. Piepkleine kelkjes van ca. 3 mm breed, bleek bruin van kleur, op een hazelaarkatje. Hier had ik al een aantal jaren vergeefs naar gezocht. Blijkbaar te laat of onder te droge omstandigheden. Vanwege het bewolkte weer en het late tijdstip was het moeilijk een goede foto te maken. Dus dan morgen maar, dacht ik. Helaas, was dat makkelijker gezegd dan gedaan! Ondanks mijn “markering” waren ze onvindbaar.
Teleurgesteld liep ik weer richting huis. Bijna thuis kon ik het toch niet laten om nog even op de begraafplaats te kijken. Daar staan tenslotte meerdere hazelaars. En ja, deze keer viel mijn oog op wel vijf exemplaren. Na veel volharding is het mij dus toch gelukt om het Hazelmummiekelkje voor de lens te krijgen.

Hazelmummiekelkje (Ciboria coryli) (Foto Froukje Jongbloed).
8 februari 2020. Oranje oesterzwam bij de Boerenveensche Plassen
Hero Moorlag & Eef Arnolds
Vanochtend fotografeerde Hero Moorlag uit Hoogeveen in het bos ten noorden van de Boerenveensche Plassen een fraaie groep oranje houtzwammen op een liggende berkenstam. De paddenstoelen werden door hem aanvankelijk bij Waarneming.nl opgegeven als Scherpe schelpzwam. Henk Monster uit Schaarsbergen herkende hem van de foto’s echter als de Oranje oesterzwam, onder andere op grond van de ruwe beharing op de hoeden. Bovendien is de kleur veel helderder oranje dan bij de Scherpe schelpzwam. De vruchtlichamen van de Oranje oesterzwam zijn aanmerkelijk groter en ongesteeld. Een goed veldkenmerk is ook de sterke, onaangename geur die aan ouderwets gas of rottende kool doet denken.
De Oranje oesterzwam is niet opgenomen in de Drentse paddenstoelenatlas (Arnolds et al., 2015) omdat de soort destijds nog niet uit Drenthe bekend was. Een reden te meer om hier aandacht aan deze paddenstoel te besteden. Hij wordt pas sinds 2005 uit Nederland wordt gemeld, maar heeft zich razend snel over het land uitgebreid. De Oranje oesterzwam is nu al uit 120 atlasblokken bekend is (www.verspreidingsatlas.nl). Het is dus een succesvolle nieuwkomer, ook in Drenthe (nu 13 atlasblokken). Hero vond hem al een keer eerder, samen met Bart Pijper; op 12 november 2016 op een liggende berkenstam in het Kremboongbos bij Stuifzand.
De Oranje oesterzwam is geen exoot, want hij is uit delen van West- en Midden-Europa al lang bekend. De oorzaak van de snelle expansie is raadselachtig. Klimaatopwarming kan geen rol spelen, want de soort heeft in Europa een overwegend noordelijke en montane verspreiding. Hij is algemeen in Noorwegen, Zweden en Finland, maar geldt (of gold) als zeer zeldzaam in Denemarken waar hij zelfs als bedreigd op de Rode Lijst staat! (Funga nordica, 2012). In Zuidwest-Duitsland is (of was) de Oranje oesterzwam voornamelijk bekend van middelgebergten (400-800 meter) en nauwelijks uit het laagland (Krieglsteiner, Die Grosspilze Baden-Württembergs 3, 2001). Als belangrijkste waardplanten gelden in Scandinavië fijnspar en berk, in Zuidwest-Duitsland fijnspar, gevolgd door den en beuk.

Oranje oesterzwam (Phyllotopsis nidulans), links van de Boerenveensche Plassen (2020), rechts van het Kremboongbos (2016) (foto’s Hero Moorlag).
31 januari 2020. Echt judasoor op een ongewone hangplek
Eef Arnolds
Op 31 januari was ik in Schepping bezig met het schoon maken van nestkasten voor het nieuwe broedeizoen. Op een steenuilenkast vond ik tot mijn verbazing twee flinke kluiten vruchtlichamen van Echt judasoor (Auricularia auricula-judae). De uilenkast was vervaardigd van waterbestendige spaanplaat en aan de buitenkant bewerkt met groene buitenverf. Hij was op de plek van de judasoren bijna helemaal vergaan, zodat de vogelwoning (helaas nog steeds wachtend op een steenuil) onbewoonbaar moest worden verklaard. Bij de schoonmaak van vorig jaar was er nog geen paddenstoel of aantasting te zien. Een aanwijzing dat Echt judasoor spaanplaat snel en efficiënt kan afbreken.
Voor zo ver bekend is dit de eerste keer dat Echt judasoor op bewerkt hout is aangetroffen. Vóór 1970 was deze paddenstoel in Nederland een typische soort van de duinen en Zuid-Limburg en in Drenthe een grote zeldzaamheid. Sindsdien heeft hij zich sterk uitgebreid en tegenwoordig is hij ook in Drenthe algemeen. Destijds was Echt judasoor vrijwel beperkt tot oude vlierstruiken. Vlier is nog steeds de belangrijkste waardplant met 87% van de waarnemingen, maar hij is volgens de Drentse paddenstoelenatlas ook bekend van o.a. esdoorn, beuk, eik, brem en wilg (Arnolds et al., 2015). In Zuidwest-Duitsland is slechts 68% van de opgaven afkomstig van vlier. Andere belangrijke waardbomen zijn daar beuk (8%), esdoorn (5%), wilg (3%) en es (3%) (Krieglsteiner, Die Grosspilze Baden-Württembergs 1, 2000).
Het komt achteraf niet helemaal als verrassing dat Echt judasoor op spaanplaat is aangetroffen. De soort wordt, vooral in Oost-Azië, op grote schaal voor consumptie gekweekt op voedingsbodems van zaagsel of op een mengsel van stukjes loofhout en graan (zie bijvoorbeeld de website http://www.mycelia.be). De vruchtlichamen zijn tamelijk elastisch en vrijwel smakeloos, maar er wordt in de traditionele geneeskunde grote geneeskracht aan toegekend (zie bijv. www.out-grow.com).
Ik houd me aanbevolen voor meldingen van andere vondsten van Echt judasoor op afwijkende substraten.

Echt judasoor (Auricularia auricula-judae) op een steenuilenkast in Schepping
in Holthe bij Beilen (foto’s Eef Arnolds).
23 Januari 2020. Het Leermostrechtertje in het Steenberger Oosterveld
Jan-Erik Plantinga en Joop Verburg
Het is een grijze maar niet al te koude dag op 23 januari 2020, wanneer we naar het Steenberger Oosterveld fietsen om te kijken of er nog bijzonderheden op het veld te zien zijn. Het Steenberger Oosterveld ligt ten oosten van Zuidwolde en is in beheer bij Stichting Het Drentse Landschap (HDL). Er is regelmatig contact tussen HDL (Harald de Graaff) en onze Natuurvereniging Zuidwolde. Dat maakt dat je met plezier er naar toe gaat om te kijken hoe de ontwikkeling is en of er iets nieuws of bijzonders te zien is. We gaan het gebied in en we zetten aan de rand van het afgeplagde gedeelte onze fiets neer. We lopen 5 meter het veld in als Jan-Erik stilstaat bij een mosje dat hij niet kent. Opgetogen neemt hij het mee voor onderzoek. Het blijkt de Grijze bisschopsmuts, een zeldzame soort die als kwetsbaar op de rode lijst staat.
Intussen lig ik enthousiast op mijn knieën, want ik zie een grijzig paddenstoeltje dat op een trechtertje lijkt. Bovendien groeit hij op leermos (Peltigera), een groot korstmos met bladvormige thalli van soms meer dan een decimeter groot. Een ongebruikelijk substraat voor een trechtertje. Dat zou toeval kunnen zijn, maar een meter verderop staan er nog drie en ook die groeien op leermos. Het doet me denken aan het Leermostrechtertje (Omphalina peltigerina) maar die is in heel Nederland heel zeldzaam. Ik maak er foto’s van. Voorzichtig neem ik een exemplaar mee om het te onderzoeken met de microscoop en te tekenen (ik geniet van de prachtige tekeningen van Bernhard de Vries en ik wil dat ook wel eens proberen).
Ter controle stuur ik het naar Eef Arnolds. Die bevestigt de naam. Intussen heeft Jan Erik vastgesteld dat het leermos Soredieus leermos (Peltigera didactyla) is, een algemene soort. Het Leermostrechtertje is voor het eerst in Nederland vastgesteld in 2013 en thans van acht plekken bekend (www.verspreidingsatlas.nl), waarvan vier in de duinen en drie in Drenthe. In onze Drentse paddenstoelenatlas van 2015 wordt de soort alleen van landgoed Hoogveld bij Anderen genoemd, waar hij gevonden is op leermos in een jonge, donkere sparrenaanplant.
We vonden in het Steenberger Oosterveld op de zandige grond nog andere paddenstoeltjes zoals Klein oranje zandschijfje (Byssonectria aggregata), Somber trechtertje (Omphalina obscurata), Zandkaalkopje (Deconica montana) en wel 100 exemplaren van het Blauwgroen trechtertje (Omphalina chlorocyanea). Op de mest van hooglanders groeiden het Mestborstelbekertje (Cheilymenia stercoria) en een Breeksteeltje (Conocybe spec.) Daarbij waren ook al volop Driehoornmestkevers actief. In de bosrand stond Rankende helmbloem al in bloei!
Kortom ook in januari zijn er buiten genoeg bijzondere dingen te beleven, zeker in het Steenberger Oosterveld.

Leermostrechtertje (Omphalina peltigerina) (foto Joop Verburg).