20 september 2021. Impressies van de PWD-excursie naar het Knoesterbos bij Drouwenermond
Eef Arnolds

Smalsporige wimperzwam (Scutellinia cejpii) op dode populierenstam in het Knoesterbos (foto Joop Verburg).
Het Drentse Landschap heeft aan de PWD gevraagd om speciale aandacht te schenken aan de paddenstoelen in een paar bosgebieden die deze organisatie bezit in de oostelijke veenkoloniën. Na de verrassende excursie vorig jaar in het Buinenhornse Bos bij Nieuw-Buinen (zie excursieverslagen) bezochten we op 20 september met een tiental het Knoesterbos bij Drouwenermond.
Het Knoesterbos was bij vrijwel iedereen onbekend. Het bos bleek verrassend gevarieerd met veelal gemengde opstanden van o.a. zomereik, zachte berk, zwarte els, es, haagbeuk, boswilg, Canadese populier en sitkaspar. Voor een betrekkelijk jong bos was er veel dood hout. De ondergroei met o.a. robertskruid, hondsdraf en grote brandnetel verraden het voedsel- en humusrijke karakter van de bodem. Het bos is geplant op voormalig bouwland op dalgrond.
Helaas was er al weken geen regen van betekenis gevallen, waardoor de bodem uitgedroogd was. De sterke drainage draagt hier ook aan bij. Het water in de wijken die het gebied doorsnijden, stond 1,5 tot 2 meter onder het maaiveld. Paddenstoelen waren daardoor schaars. We zagen in totaal 65 soorten, waarvan driekwart op hout groeide. Hieronder waren diverse bijzonderheden, zoals de Smalsporige wimperzwam (Scutellinia cejpii) op een dode, sterk vergane populier. Hij werd aanvankelijk genoteerd als de algemene Gewone wimperzwam (S. scutellata) op grond van de relatief grote, oranjerode apotheciën en de groeiplaats op hout. Onder een loep bleken de zwarte haren aan de buitenzijde van de apotheciën echter veel te kort te zijn. De langwerpig elliptische, grof wrattige sporen onder de microscoop zijn ook geheel verschillend. De Langsporige wimperzwam was twee maal eerder in Drenthe gezien.
Een zeer klein oranjegeel bobbeltje op de onderzijde van een hulstblad, gevonden door Joop, bleek het Hulstmeniezwammetje (Hydropsisphaera erubescens) te zijn. Zeer zelden in Nederland gemeld, maar in feite is de verspreiding onbekend.
Een liggende stam van een Boswilg was over een flinke lengte bezet met een taaie buisjeszwam, van boven oranjebruin en zwart gezoneerd, van onderen met fijne, roestbruine gaatjes. Hij leek wat op de Elzenweerschijnzwam (Mensularia radiata), maar het bleek de Bruinzwarte vuurzwam (Phellinus conchatus) te zijn. Het is een karakteristieke soort voor wilgen. Hij is in Drenthe zeer zeldzaam, maar in het westen van het land vrij algemeen.

Bruinzwarte vuurzwam (Phellinus conchatus) op dode boswilg in het Knoesterbos
(foto Eef Arnolds).
Andere aardige vondsten waren de Boomgaardvuurzwam (Phellinus tuberculosus) op dode sleedoorns aan de bosrand, de Vuurmelkzwam (Lactarius pyrogalus) onder hazelaar en de Purpersnedemycena (Mycena pelianthina) op eikenstrooisel. Het is zeker de moeite waard om hier na een flinke regenperiode nog eens terug te komen.
Gedenkwaardig was het moment waarop ik, op instigatie van Joop Verburg, midden in het bos vanaf mijn mobieltje een tekst uit de Statenbijbel citeerde die een handige tip bevat voor veldwerkers. Het gaat om Deuteronomium 23: 13: ‘En gij zult een schopje hebben, benevens uw gereedschap, en het zal geschieden, als gij buiten gezeten hebt, dan zult gij daarmede graven, en u omkeren, en bedekken wat van u uitgegaan is.‘

Eef citeert uit Deuteronomium 23:13 in het Knoesterbos (foto Hendrica Vooijs).
16 september 2021. Impressies van de extra PWD-excursie in Boswachterij Gees
Eef Arnolds

Oude vruchtlichamen van de Oliebolzwam (Rhizina undulata) aan de voet van een lariks in Boswachterij Gees (foto Hendrica Vooijs).
Na het succes van de PWD excursie van 13 september besloten Rob en Eef om op korte termijn een extra excursie in te lassen om een ander deel van deze boswachterij te inventariseren. Van de deelnemers van de vorige keer kwamen er twee opdagen. Deze keer werd het bos bezocht aan de noordkant van de Hooge Stoep. Opnieuw een afwisselend gebied met overwegend gemengd bos, maar ook zuivere opstanden van loof- en naaldbomen.
In sommige sparren- en lariksbossen was de bodem geheel door mossen bedekt, met hier en daar plukjes dophei en struikhei die het voedselarme karakter van de bodem verraadden. Dit kwam ook in de mycoflora tot uitdrukking, bijvoorbeeld in het wijd verspreide voorkomen van de Bittere boleet (Tylopilus felleus) en de Fraaie gifgordijnzwam (Cortinarius rubellus). Ook de Kamfergordijnzwam (C. camphoratus), bij uitstek een zeldzame indicatorsoort van mycologisch waardevolle sparrenbossen, werd hier aangetroffen.
We zagen vrij veel wolvezelkoppen, te herkennen aan de fraai beschubde hoedjes en steel. Zekere herkenning van soorten vergt echter het gebruik van een microscoop. De kleine exemplaren hiervan werden in het veld aangezien voor de Gewone wolvezelkop (Inocybe lanigunosa), maar na microscopische controle bleek het op tenminste drie plekken te gaan om de zeldzame en bedreigde Purperbruine vezelkop (I. leptophylla). Die soort is goed te herkennen aan het ontbreken van pleurocystiden en de dunwandige cheilocystiden. Een andere bijzondere vezelkop was de Valse sterspoorvezelkop (I. pseudoasterospora var. microsperma) onder eiken op schrale grond. Dit is ook al een soort die meestal met een vraagteken in een doosje verdwijnt, maar onder de microscoop gemakkelijk herkenbaar is aan de sporen met een paar reusachtige knobbels.

Purperbruine wolvezelkop (Inocybe leptophylla) in Boswachterij Gees
(foto Eef Arnolds).
Onbetwist hoogtepunt van deze excursie was de ontdekking van Rob van een reusachtige oliebolzwam (Rhizina undulata) in een oude lariksopstand. Bij nadere inspectie bleken er tientallen vruchtlichamen te groeien in alle stadia van ontwikkeling, verspreid over een oppervlakte van 100 m2. Ze beginnen eigenlijk als een tegen het strooisel aan groeiende schijf om pas later uit te groeien tot weelderige, met elkaar vergroeide oliebollen. De Oliebolzwam is een soort van oude brandplekken die tevens parasiteert op de wortels van naaldbomen. Soms wordt hij aangetroffen op plaatsen waar geen sporen van brand te zien zijn. Dat was ook hier het geval. De lariksen vertoonden geen symptomen dat ze ernstig van de Oliebolzwam te lijden hadden. Het blijkt dat de Oliebolzwam binnen het wereldje van paddenstoelenliefhebbers een bijna magische status heeft verworven. Hans Post ging helemaal uit zijn dak bij de eerste aanblik. Geert de Vries, die de excursie niet kon bijwonen, vond het achteraf bijzonder spijtig dat hij zijn ‘droomsoort’ gemist had. Aan de esthetiek van de soort kan het niet liggen, want volgroeide vruchtlichamen lijken vanaf enige afstand sterk op een hoop paardenmest.

Jonge vruchtlichamen van de Oliebolzwam (Rhizina undulata) aan de voet van een lariks in Boswachterij Gees (foto Eef Arnolds).
Andere mooie vondsten waren het Doolhofelfenbankje (Cerrena unicolor) op een dode berk, Holsteelboleet (Suillus cavipes), Roodschubbige gordijnzwam (Cortinarius bolaris) en Purpersnedemycena (Mycena pelianthina). Het dagtotaal kwam uit op 93 soorten.
13 september 2021. Impressies van de PWD-excursie naar Boswachterij Gees
Eef Arnolds

PWD-excursie in Boswachterij Gees (foto Eef Arnolds).
In ons excursieprogramma besteden we dit jaar speciale aandacht aan Boswachterij Gees omdat van dit grote bosgebied relatief weinig mycologische gegevens bekend zijn en omdat er tot nu toe weinig in de bossen is ingegrepen. Vandaag bezochten we met een bijna 20 deelnemers een strook bos in het zuidoosten van de boswachterij aan de noordzijde van de Tilweg. Het bos is er zeer gevarieerd met een mengeling van allerlei loof- en naaldbomen, vaak flink uit de kluiten gewassen en veel dood hout. Onze intense bosbeleving werd nog versterkt door de stilte en rust die er heersten.
Onze verwachtingen waren niet hoog gespannen vanwege de aanhoudende droogte. Het bos stond dan ook bepaald niet vol paddenstoelen, maar aan het einde van de excursie hadden we met z’n allen toch een mooie lijst met 130 soorten bij elkaar gesprokkeld. Opvallend was het hoge aandeel van soorten met een voorkeur voor voedselarme naald- en loofbossen met een dunne strooisellaag, bostypen die door stikstofdepositie steeds schaarser worden. Voorbeelden zijn de Gewone wolvezelkop (Inocybe ovatocystis), Valse wolvezelkop (I. stellatospora), Fraaie gifgordijnzwam (Cortinarius rubellus), Olijfplaatgordijnzwam (C. scaurus), Pagemantel (C. semisanguineus), Holsteelboleet (Suillus cavipes) en Stekelige hertentruffel (Elaphomyces muricatus) met daarop zijn parasiet, de Zwarte truffelknotszwam (Elaphocordyceps ophioglossoides). Onder Grove den bij een ven vond Lydia een exemplaar van de Fijnschubbige boleet (Suillus variegatus). De meeste deelnemers hadden deze paddenstoel nog nooit gezien. Opmerkelijk als je bedenkt dat deze paddenstoel in de jaren zestig nog doodgewoon was onder dennen op arme zandgrond. Een andere opmerkelijke vondst was een Oorlepelzwam (Auriscalpium vulgare) op de kegel van een douglasspar. Deze soort groeit vrijwel uitsluitend op dennenkegels. De Drentse Atlas vermeldt 50 waarnemingen op kegels van dennen en één op douglasspar.

Oorlepelzwam (Auriscalpium vulgare) op kegel van douglasspar in Boswachterij Gees
(foto Eef Arnolds).
De meest bijzondere vondsten kwamen uit een dicht, vrij jong, gemengd bosperceel dat kennelijk spontaan was opgeslagen op een kleine kapvlakte. Er groeiden vrij veel weymouthdennen, een boom die oorspronkelijk uit Noord-Amerika afkomstig is. In de nabijheid daarvan stond op diverse plekken de Roodschubbige ringboleet (Suillus pictus), een karakteristieke mycorrhizapartner van vijfnaaldige dennen. Hij is in ons land zeer zeldzaam en uitsluitend bij Weymouthden op zeer voedselarme bodem gevonden, vaak tussen struikhei. Het is in jonge toestand een prachtige paddenstoel met een dicht wijnrood geschubde hoed, zo’n beetje als een Koningsmantel (Tricholomopsis rutilans). Helaas waren hier alle vruchtlichamen oud en door slakken aangevreten. Ik heb toch maar een foto van zo’n aftands exemplaar toegevoegd. Ook dat hoort bij de mycologische werkelijkheid van alledag.

Oud vruchtlichaam van de Roodschubbige ringboleet (Suillus pictus) bij Weymouthden in Boswachterij Gees (foto Eef Arnolds).
In datzelfde bosje groeide bij eiken, dennen en berken een opvallende, vrij forse gordijnzwam met een roodbruine, enigszins vezelige hoed, aanvankelijk violette lamellen en wat roestbruin velum op de violette steel. De bekende handwerken over gordijnzwammen gaven geen thuis. Opeens herinnerde ik me dat ik deze soort een jaar of tien al eerder gezien had bij Ravenswoud. Bladeren door mijn aquarellen leidde me naar de Bedrieglijke gordijnzwam (Cortinarius simulatus), een grote zeldzaamheid. De Nederlandse naam is tamelijk wanstaltig, want er is niets bedrieglijks aan deze mooie, karakteristieke paddenstoel. Het is een luie vertaling van de wetenschappelijke naam.

Bedrieglijke gordijnzwam (Cortinarius simulatus) in Boswachterij Gees (foto Eef Arnolds).
30 augustus 2021. Impressies van de PWD-excursie naar het Boekweitenveentje
Rob Chrispijn & Eef Arnolds

Wollige stekelzwam (Phellodon confluens) bij het Boekweitenveentje (foto Eef Arnolds).
Na vele jaren bezochten we met de PWD weer eens het bos bij het Boekweitenveentje bij Eext, tegenwoordig eigendom van Staatsbosbeheer. Het terrein staat bekend als een van de Drentse topkroonjuwelen op paddenstoelengebied. De mycologische rijkdom is vooral te danken aan de plaatselijke verrijking van de bodem met kalk door toedoen van een vroegere cementfabriek. Een paar kleine, maar diepe zandwingaten en wat industrieel erfgoed getuigen nog van deze historie. Zoals in veel Drentse bossen constateerden we helaas een sterk toegenomen verruiging van de ondergroei, voor de mycoflora geen gunstig teken.
De bossen bij het Boekweitenveentje leveren vaak lange soortenlijsten op, maar dat was vandaag niet het geval. Er was de laatste weken te weinig regen gevallen. Het viel op dat ook in vochtige gedeeltes onder wilgen en elzen weinig te vinden was. Wel werd hier een anoniem vezelkopje gevonden dat na microscopisch onderzoek de zeldzame Elzenvezelkop (Inocybe alnea) bleek te zijn. Hij was slechts twee keer in Drenthe waargenomen en de laatste vondst dateert van 1984.
Juist de droogste plekken waren het rijkst aan paddenstoelen, zoals de steilranden langs de zandkuilen. We zagen hier onder de kwarrige eiken meer stekelzwammen dan ooit tevoren. in vier soorten: de Blauwvoetstekelzwam (Sarcodon scabrosus) met een bruin geschubde hoed en een steel met groenblauwe basis, nu meestal oude, zwart verkleurde vruchtlichamen; de Gezoneerde stekelzwam (Hydnellum concrescens), plakkaten vormend met bruine, witgerande, concentrisch gezoneerde hoedjes, roestbruine stekels en een dunne, kale steel; de Fluwelige stekelzwam (H. spongiosipes), alleenstaand met lichte, egale, fluwelige hoed, roestbruine stekels en een dikke, bruine, behaarde, sponzige steel; de Wollige stekelzwam (Phellodon confluens), plakkaten vormend met aanvankelijk witwollige, later grijsbruine tot donkergrijze, witgerande, hoeden, grijze stekels en fijn behaarde steel. Al deze soorten zijn landelijk sterk afgenomen en staan als Kwetsbaar op de Rode Lijst. Vroeger is hier ook de Tengere stekelzwam (Phellodon melaleucus) gezien, maar die liet vandaag verstek gaan.

Fluwelige stekelzwam (Hydnellum spongiosipes) bij het Boekweitenveentje
(foto Eef Arnolds).
Een andere groep die goed vertegenwoordigd was, waren de gordijnzwammen met een tiental soorten. Spectaculair waren fraaie, jonge vruchtlichamen van de Violette gordijnzwam (Cortinarius violaceus). Andere bijzondere soorten zijn de Roodschubbige gordijnzwam (C. bolaris) in de buurt van de stekelzwammen, de Bleekrandgordijnzwam (Cortinarius biformis). met een afgeplatte, bleek oranjebruine hoed onder berken en de Pluizige gordijnzwam (C. comptulus) die met zijn donkerbruine, fijnschubbige hoed sterk lijkt op de Pelargoniumgordijnzwam (C. paleaceus) maar die vrijwel geen geraniumgeur heeft en bredere sporen.

Violette gordijnzwam (Cortinarius violaceus) bij het Boekweitenveentje (foto Eef Arnolds).
Het Boekweitenveentje staat bekend om zijn vele satijnzwammen, waaronder staalsteeltjes (subgenus Leptonia) die gewoonlijk in schraal grasland groeien. Van deze groep zagen we het Blauwplaatstaalsteeltje (Entoloma chalybaeum), Vaalgeel staalsteeltje (E. longistriatum) en de Gele satijnzwam (E. formosum). Van kalk- en humusrijke plekken in het bos zijn uit eerdere jaren ook veel parasolzwammen bekend, maar vandaag zagen we alleen de Fijnschubbige parasolzwam (Lepiota echinacea) en de Kleine poederparasol (Cystolepiota seminuda).
19 januari 2021. Duistere groeisels in een donkere kelder
Pauline Arends & Eef Arnolds
Pauline Arends, boswachter in het Hart van Drenthe, stuurde me onderstaande foto’s van vreemd gevormde paddenstoelen, met de vraag om welke soort het gaat. Ze groeiden op een merkwaardige plek: de muur van een voormalige granaatkelder in Boswachterij Hooghalen die tegenwoordig is ingericht als winterverblijfplaats voor vleermuizen.
De paddenstoelen op de foto’s zijn Gewone oesterzwammen (Pleurotus ostreatus) die door lichtgebrek misvormd zijn. Ze hebben daardoor extreem lange stelen en abnormaal kleine hoedjes. Het gebeurt wel meer dat oesterzwammen binnen gebouwen vruchtlichamen vormen aan muren of vloeren. De myceliumdraden zijn dun genoeg om door poriën in steen of cement te groeien. Die verschaffen het mycelium echter geen voedsel. Dat moet in verbinding staan met hout, in gebouwen meestal in de vorm van balken of planken in een vochtige omgeving. In dit geval zou het voedsel ook (ondergronds) hout of een levende boom in de directe omgeving van de granaatkelder kunnen zijn.
Pauline reageerde als volgt op mijn determinatie: ‘Dus toch oesterzwam. Ik ben ze zelf aan het kweken in een emmer met koffiedik. Het was mijn eerste gedachte, maar vond de vorm zo raar’.


Gewone oesterzwam (Pleurotus ostreatus) op de muur van een oude granaatkelder in Boswachterij Hooghalen (foto’s Pauline Arends).
17 januari 2021. IJshaar, een mirakel veroorzaakt door houtpaddenstoelen
Hero Moorlag & Eef Arnolds

Op 14 januari ontving ik de volgende enthousiaste mail van Hero Moorlag, vergezeld van prachtige foto’s van een spectaculair en zeldzaam natuurverschijnsel, ijshaar:
‘Vanmorgen vroeg Spaarbankbos, links achter het monument. Vorige week heeft Elma Koopman hier ijshaar gevonden. Op haar foto’s zijn berken te zien. Vanmorgen was het daar -20C. En inderdaad, het ijshaar staat hier op liggende dode berken. Eigenlijk komt ijshaar alleen voor op dode beuken. Het verschijnsel wordt veroorzaakt door de schimmel Rozeblauwig waskorstje (Exidiopsis effusa). Het korstje perst vanuit het hout vocht naar buiten door poriën. Vriest het, dan bevriezen de mini-straaltje en ontstaat ijshaar. Echt uniek dat dit op dode berken gebeurt. Wist ik niet. Is in het Spaarbankbos op één plek te zien. Op beuken in het Spaarbankbos komt geen ijshaar voor.’
IJshaar op berkentakken in het Spaarbankbos bij Hoogeveen (foto’s Hero Moorlag).
Hero vervolgt zijn relaas: ‘Doorgereden naar Lhee. Ieder jaar staat ijshaar in het tweede beukenbos, gezien vanaf Lhee richting de radiotelescoop. Daar was het vanmorgen om half tien -3. Vijf fotografen waren al bezig ijshaar te fotograferen. De plukken ijshaar zijn hier enorm groot en staan zelfs op staande dode beukentakken tot 5 meter hoog. Ik stuur je 2 foto’s. Op de eerste foto zie je ijshaar op een liggende beukentak. Dat ijshaar was bijna een meter lang en 20 cm dik. Onvoorstelbaar! Op de tweede foto zie je het ijshaar uit een staande beukentak komen. De straaltjes zijn mooi te zien. Ze komen uit tientallen poriën.

IJshaar op beukenstammen in Boswachterij Dwingeloo bij Lhee (foto’s Hero Moorlag).
Hieronder volgt een beschrijving van het fenomeen ‘ijshaar’ in Wikipedia:
‘IJshaar, ook wel haarijs of sneeuwbaard, is een zeldzaam natuurlijk verschijnsel waarbij een haarachtige, wollige ijsstructuur ontstaat op dood en nat kernhout, dus niet op de bast, van loofbomen.
IJshaar kan ontstaan als de luchttemperatuur even onder het vriespunt ligt. In het hout komen schimmels voor en bij de stofwisseling van deze schimmels komt onder andere water vrij dat door zeer kleine openingen in het hout (houtstralen) naar buiten wordt geperst. Het naar buiten geperste water bevriest tot een haarachtige structuur. Een hoge luchtvochtigheid is noodzakelijk voor de succesvolle vorming van ijshaar zodat het naar buiten geperste water niet kan verdampen en voor bevriezing beschikbaar blijft. Zolang de schimmels water blijven produceren en de klimatologische omstandigheden gunstig blijven, kan ijshaar aan blijven groeien. Als de luchttemperatuur te laag wordt, daalt de stofwisseling van de schimmels tot zo’n laag niveau dat er onvoldoende water geproduceerd wordt. De schimmel die voorkwam in het hout van alle proeven was Exidiopsis effusa (Evidence for biological shaping of hair ice. Biogeosciences 12:4261–4273. DOI: 10.5194/bg-12-4261-2015).
IJshaar is zeer teer en smelt na aanraking direct weg. Als ijshaar aan zonlicht wordt blootgesteld, zal het snel sublimeren en verdwijnen. IJshaar is daarom ’s morgens vroeg of alleen op schaduwrijke plaatsen te vinden.
In 1918 publiceerde Alfred Wegener in het tijdschrift Die Naturwissenschaften zijn artikel “Haareis auf morschem Holz” over het fenomeen ijshaar.’
Het verschijnsel ‘ijshaar’ op dood hout is dus al lang bekend, maar de oorzaak ervan is pas enkele jaren geleden opgehelderd. IJshaar ontstaat steeds op hout dat aangetast is door mycelia van paddenstoelen. In de omgeving ervan zijn vruchtlichamen van verschillende soorten aangetroffen. Volgens Wikipedia is het Rozeblauwig waskorstje (Exidiopsis effusa) de enige soort die in alle genomen monsters aanwezig was, en dus verantwoordelijk moet zijn voor het ontstaan van ijshaar. Deze korstvormige trilzwam vormt zachte, wasachtige overtrekjes op kaal hout van loofbomen. Een foto daarvan is te vinden in de Ecologische Atlas van paddenstoelen in Drenthe, deel 3, pagina 430 (2015). De soort geldt in Drenthe als zeldzaam, maar is ongetwijfeld veel wijder verbreid. Vruchtlichamen zijn aangetroffen op allerlei loofbomen, waaronder beuk, eik, berk populier en wilg. Dit verklaart ook het optreden van ijshaar op berkenhout in het Spaarbankbos. Uitvoeriger informatie over dit bijzondere mycologische randverschijnsel is te vinden op de hieronder genoemde websites. Will van den Brand vermeldt op de site ‘allesoverpaddenstoelen’ dat veel meer paddenstoelen ijshaar kunnen produceren, waaronder diverse zakjeszwammen (ascomycten).
http://www.allesoverpaddenstoelen.nl/Aop3_ijshaar.html
http://www.sci-news.com/biology/science-hair-ice-exidiopsis-effusa-03051.html
5 januari 2021. ‘Oranje aanslag’ op boomstammen
Eef Arnolds
Ik kreeg al een paar keer foto’s toegestuurd van grote, fel geeloranje tot oranjerode plakkaten op boomstammen, met de vraag om welke schimmel het gaat. Eerlijk gezegd had ik geen idee. Tijdens een winterwandeling in Boswachterij Grolloo zag ik dit verschijnsel op diverse bomen, vooral op dode stammen van lariks en fijnspar, maar ook op de bast van oude, springlevende beuken. De oranje plakkaten kunnen meer dan een meter lang worden, zijn onregelmatig van vorm, een beetje vlokkig-pluizig en zacht van textuur.
Onder de microscoop werd duidelijk dat het gaat om een alg met lange, vertakte draden met groen chlorofyl. Na een beetje zoeken kom je dan uit bij de Geeloranje boomalg (Trentepohlia aurea). Maar pas op! Op de site Waarneming.nl werden mijn foto’s automatisch door de app Obsidentify met grote zekerheid (99,8%) geïdentificeerd als Oranje dooiermos (Xanthoria calcicola). Dat is een korstmos met duidelijk begrensde, ronde, bladvormige thalli met een stevige textuur dat vooral op gesteente groeit. Het ziet er heel anders uit en het is dan ook vreemd dat beide structuren bij automatische fotoherkenning verward worden.
De Geeloranje boomalg is de enige vrij levende soort van het geslacht Trentepohlia in Nederland en hier algemeen. Andere soorten kunnen symbiose vormen met algen in bepaalde korstmossen. De oranje kleur van het wier wordt volgens Wikipedia veroorzaakt door caratenoïde pigmenten, zoals we die bijvoorbeeld ook aantreffen in gekweekte wortelen (Daucus carota). Onder de microscoop vallen die pigmentconcentraties op als feloranje bolletjes in de cellen.


De Geeloranje boomalg (Trentepohlia aurea) op dode sparretjes in Boswachterij Grolloo (foto’s Eef Arnolds).